10 januari 2021

Haagse herinneringen uit de jaren 20 en 30

Mijn moeder haalde wat (losse) herinneringen op aan de Haagse Twentstraat, laten we zeggen: periode 1923 - 1933. Ik noteer dit, nu het nog kan. Maar bedenk ook: het geheugen is een niet altijd betrouwbare leidsman.

Twentstraat, Den Haag. Fotograaf H.A.W. Douwes, collectie Haags Gemeentearchief.

Het huis, Twentstraat 219, had twee kamers beneden, en een klein kamertje achter op de eerste verdieping. De kamer aan de straatkant was niet groot, er was een bedstee, waar de meisjes (drie) uit het gezin sliepen. Mijn moeder, het vierde meisje, sliep in een bedje in dezelfde kamer. Er was een soort doorgang naar de achterkamer. In die doorgang stond een bed, daar sliepen drie broers. De ouders sliepen in de grotere achterkamer, ook in een bedstee. Mijn moeders grootmoeder sliep in het kleine kamertje op de verdieping achter, twee oudere broers waren al uit huis. Er waren een radio en een grammofoon in huis.
De tuin was betrekkelijk groot, aan huis was er een stoepje, in het midden stond een grote rozenstruik, met een schelpenpaadje eromheen. Aan de linkerkant tegen de schutting was een grote kippenren, elke dag weren er dus wat verse eieren. Links achterin stond een seringenboom. 
In het voorjaar kwam een boer door de straat, die mest verkocht. Er werd dan een teil mest gekocht, die door de gang naar achteren, naar de tuin moest, waar het met water werd aangelengd en over de tuin verspreid. 

Buren waren de families Grevenstette (boven, aan de voorzijde) en Mertens. De heer Grevenstette werkte bij Peek & Cloppenburg, hij bracht bestellingen rond met een bakfiets, in uniform. De heer Mertens had fournituren- en stoffenwinkels, De Zon, op het Jonckbloetplein, en even verderop, op het Lorentzplein. Aan de overkant woonde de familie Toorenburg.

De school was in de parallel gelegen Sirtemastraat, vanaf de singel gezien links, voor de brouwerij. Het was een groot gebouw, met een eigen gymzaal. Al spelend liepen de kinderen daar naartoe, door de 'Kleine Sirtemastraat', een verkeersvrije steeg. Namen die nog herinnerd worden: Meester De Bruin, juffrouwen Kelder (lagere klassen) en Akkerman, en het Hoofd der School, meester Butner. Daarnaast nog van een paar klasgenoten, van wie ik de namen nog achterhoud, omdat het niet helemaal ondenkbaar is dat ze er (net als mijn moeder) nog zijn. 
Ook in de Sirtemastraat was de brouwerij van ZHB. Mijn moeder herinnert zich hoe ze als kind vanuit de tuin naar de brand in de brouwerij heeft gekeken. Dit maakte grote indruk. Het zal de brand van 22 november 1929 geweest zijn.

Behalve de eerdergenoemde boer, kwamen meer verkopers, handelaren en ander volk door de straat.

Het huisvuil werd opgehaald uit open houten asbakken (Haags woord) met handvatten aan weerszijden.

Als er nieuwe haring was, kwamen Scheveningse vrouwen, toen nog allemaal in klederdracht, om haring te verkopen. Ze droegen nog het traditionele juk, met emmers haring. Ze kwamen lopen vanuit Scheveningen, vanuit de haven via Statenlaan, Koningin Emmakade en Waldeck Pyrmontkade. 

Er was een joodse handelaar, die kwam met een hondenkar door de straat. Hij verkocht zoute bommen. 'Zoute bommen! Zoute bommen!'

Er was een gehandicapte, invalide bedelaar, Sjimmie. De man had geen benen en zat in een karretje. Hij reed langs de deuren en trok aan de bel met het handvat van een wandelstok.

Dan was er nog de bakfiets met daarop een piano, die werd bespeeld. Er hoorde ook een tweede man bij, die langs de deuren ging om geld op te halen.

In die tijd was de markt nog niet aan de Herman Costerstraat, maar op de Prinsegracht, tussen Boekhorststraat en Lijnbaan. De groentemarkt was in het verlengde daarvan, op de 's-Gravenzandelaan.

In de straat waren ook een paar winkels en bedrijfjes. Tegenover het huis van mijn moeder was een leesbibliotheek, daarnaast een (doods)kistenmakerij, en een hoefsmid. De geur als er hoeven werden gezet. Ook was in de straat een kruidenier, en de stokerij Paalvast, waar heet water gehaald kon worden. Op maandagen bracht Paalvast vijf tonnetjes (aangegeven werd een maat van ongeveer 40 cm hoog) heet water, zodat de was gedaan kon worden. Paalvast leverde ook de antraciet voor de kolenkachels.
De melkboer heette Van Zanten. De garage van de melkboer was naast het huis van mijn moeder. 
Verder was er ook nog een café, en een sigarenwinkel, van Gerrese.

In de jaren 20 reed er een WSM-stoomtram vanaf de Lijnbaan, via de Loosduinseweg naar Loosduinen. Op de Loosduinsebrug werd deze begeleid door een man met een rood spiegelei, om de mensen te waarschuwen voor het naderend gevaar. Deze man werd door de kinderen Jan Toffee genoemd. Waarom weet mijn moeder niet meer.

Aan de andere kant van het water, aan de Noord-West Buitensingel, zat bakkerij De Hoop. Mijn moeder (kind in groot gezin) ging daar brood halen in een schoon kussensloop. Ze haalde 'brood van de dag ervoor', dat was goedkoper.

31 december 2020

Boeken 2020

Dat 2020 een bijzonder jaar was, lijkt me een understatement van jewelste. Voor mij persoonlijk was er de extra omstandigheid, dat ik midden in de eerste lockdown ophield met werken. Theoretisch gezien dus tijd genoeg om te lezen, dit jaar.

Inderdaad, meer boeken gelezen dan de afgelopen drie jaar, maar in 2015 en 2016  en eerder ook al, las ik er meer. Het aantal gelezen bladzijden stijgt sneller (de grafiek loopt steiler), dat betekent dat de boeken gemiddeld dikker zijn geweest, inderdaad 298 bladzijden, vergeleken met 227 vorig jaar.

Hier een verdeling naar dikte van de gelezen boeken. Er zijn meer boeken van 500 bladzijden of meer gelezen dan vorig jaar. Daar zaten verschillende delen bij van Het Bureau, dat ik herlas, deel 3 van de Verzamelde Romans van Nabokov, en de nieuwe Knausgård, ook al zo'n kloostermop van zo'n 850 bladzijden.

Ik las in 2020 57 boeken uit. Ik reken daarvan 47 als bellettrie, 10 als meer zakelijk proza. Ik las geen gedichtenbundel uit. Ik las 18 vertaalde boeken, en geen boeken in Engels of andere vreemde taal.

Wat een getallen. Ik loop even door de lijst: Jeroen Brouwers - Cliënt E. Busken, Isaak Babel - Alle verhalen en Karl Ove Knausgård - Buiten de wereld waren de drie beste boeken die ik las. Dat denk ik nu, vraag het morgen en ik zeg wat anders. Verder herlas ik met veel plezier Het Bureau van J.J. Voskuil. En het was voor mij een beetje een Ischa Meijer-jaar. Vanwege de 25e sterfdag verscheen er een en ander, ik las de biografie Ischa van Gijs Groenteman, het Privé Domein-deel Ik heb niets tegen antisemieten, ik lééf ervan en Zó, en niet anders, de bundeling van Brief aan mijn moeder, Een rabbijn in de tropen en Hoeren.

Dit was het boekenjaar 2020, volgend jaar weer een boekenjaar!

29 december 2020

Ik ben van vandaag thuis en denk aan mijn beste vriend

Het is een raar jaar. Veel zaken die vanzelfsprekend waren, zijn dat niet meer. Ik vertel niets nieuws. 

Normaal gesproken zou ik vandaag met mijn vriend Kees naar Amsterdam gaan, om een dagje boeken- en platenwinkels te bezoeken, en wat te eten en drinken. Een traditie sinds 1985. Maar het gaat niet door, het zal nooit meer doorgaan. Kees overleed dit voorjaar.

Deze zomer dacht ik nog: ik ga alleen, ik doe de ronde, ik koop boeken en platen, en eet een broodje kroket. Als een eerbetoon aan de vriendschap.

Maar we zitten in een lockdown. Een wandeling langs de gesloten winkels en horeca is mij wat al te symbolisch. Verder is het onverstandig om onnodig te reizen.

Ik ben van vandaag thuis en denk aan mijn beste vriend.

26 december 2020

De kleine zenuwlijder

Zoals wel vaker in de laatste dagen van het jaar, lees ik tussen 22 en 31 december elke dag een hoofdstuk uit De avonden, van Gerard Reve (ik heb 3 edities, dit keer lees ik de tweede druk, nog verschenen onder de naam Simon van het Reve).

In hoofdstuk V gaat Frits op bezoek bij Victor Poort (Robert van Amerongen).

“Wat lees je?” vroeg hij, een klein boek met grijze linnen band van de schrijftafel nemend. “Dat moet je beslist lezen”, antwoordde Viktor, “daar zul je beslist veel plezier aan hebben.” “De kleine zenuwlijder, handleiding tot een fatsoenlijk leven”, las Frits. “Je mag het nu wel lenen”, zei Viktor. Frits sloeg het dicht en stak het in zijn jaszak, haalde diep adem en nam afscheid’
(De avonden, p. 97, ik verwijs hier naar bladzijnummers in de tweede druk)

Van De avonden wordt wel gezegd dat alles wat erin staat, ook echt gebeurd is, maar niet zoals het in het boek staat. Dat geldt ook voor deze titel. De kleine neurasthenicus, beknopte handleiding tot een ordentelijk leven, geschreven door Herman Gerard de Cock, verscheen in 1922. In 2007 werd het door De Bezige Bij opnieuw uitgegeven, bij gelegenheid van de zestigste verjaardag van De avonden. Die editie heb ik.

Ik zou het overigens niet, zoals in De avonden geschreven, een klein boek willen noemen, het heeft 506 pagina's. Tegenwoordig is het ook te bekijken in Delpher.

In De avonden krijgt Frits het te leen van Viktor, in werkelijkheid las Gerard Reve het bij Robert van Amerongen. Pas na verschijnen van De avonden kreeg Gerard het boekje cadeau uit de bibliotheek van de vader van Van Amerongen. (Nop Maas - Kroniek van een schuldig leven 1, p. 234 - 235)

Het is geen boek om van begin tot einde te lezen, ik snoep elk jaar hier en daar een bladzijde. Het boekje geeft, zoals de ondertitel al aangeeft, tips bij allerlei aandoeningen. Ze doen mij denken aan de opmerkingen die Frits in het boek maakt tegen zijn vrienden. Op bladzijde 112 1n 113 in De avonden leest Frits passages uit het boekje van Victor. Deze zijn niet letterlijk, maar wel 'in geest' terug te vinden in De kleine neurasthenicus. De passage over 'de dame Oem, van wie een poes gestorven was' (De avonden, p. 113) lijkt losjes gebaseerd op p. 396.

Ik denk dat het voor Reve een belangrijk boekje is geweest, waarin hij veel van zijn eigen neuroses herkende. ‘Stellig, ik ben een kleine zenuwlijder’, zegt Frits van Egters op het einde van De avonden (p. 205). 

De kleine neurasthenicus leverde Reve verder de titel voor zijn gedroomde boek, Het Boek van het Violet en de Dood, 'het boek dat Reve wilde schrijven, maar dat eigenlijk niet geschreven kon worden, omdat het alle andere boeken overbodig zou maken, behalve de Bijbel, en het telefoonboek'. 

‘'t Is net, meneer,’ zegt Dorus, ‘'t is net, alsof een dure plicht mij op de schouders rust. De plicht, om een groot, een machtig, boek te schrijven. Een boek, waarvan de titel luiden zal: “Van 't licht en van den schaduw, van 't violet en van den dood... En van de geestdrift”.
(De kleine neurasthenicus, p. 197)

Over Het Boek van het Violet en van de Dood schreef ik al eens een blogje, De Bijbel, en het telefoonboek. Niet uitputtend, maar 'vanuit mijn boekenkast'.

21 december 2020

McCartney III: mijn duit in het zakje

Dit is precies wat een mens nodig heeft in dit ellendige jaar: een nieuwe lp van Paul McCartney. Aan het eind van de zomer, begin herfst waren er de eerste aanwijzingen voor beatlesspeurders. De registratie van een nieuw internetdomein, mccartneyiii.com eind augustus, filmpjes en emoji's met dobbelsteentjes op Twitter en Spotify, en uiteindelijk de aankondiging: McCartney III.

Paul McCartney heeft natuurlijk veel meer uitgebracht dan de III suggereert, maar het is na McCartney (1970) en McCartney II (1980) de derde échte solo-plaat. Alles zelf gecomponeerd, gespeeld, gezongen en geproduceerd. De lockdown (door McCartney voor zichzelf aangeduid als rockdown) was hiervoor eigenlijk de ideale gelegenheid. (Strikt genomen geldt dat 'alles zelf gedaan' hier niet helemaal, het begin van Slidin' dateert van de sessies van Pauls vorige studioplaat Egypt Station, en When Winter Comes is zelfs deels afkomstig van sessies uit 1992, met George Martin als producer.)

Die drie McCartney-albums hebben eigenlijk een soort status aparte binnen het oeuvre, ik zag ze ergens aangeduid als 'berichten van het thuisfront', of een 'kijkje in het lab'. Je krijgt zoals altijd bij McCartney op dit album een afwisselende reeks gitaarliedjes, popsongs, rock 'n' roll. Maar het is allemaal wat losser, speelser, soms experimenteler, kortom: anders dan op 'reguliere' Paul McCartney-platen.

Ik ga het hier niet allemaal behandelen, maar noem als illustratie het openingsnummer Long Tailed Winterbird, een ruim vijf minuten durend repetitief (vrijwel) instrumentaal gitaarnummer. Een soort mantra, zou je kunnen zeggen. Normaal zet je zo'n nummer niet vooraan, als opening van een plaat. Op McCartney III kan dat wel. Het bijzonderst (vind ik) Deep Deep Feeling, dat bijna acht en een halve minuut alle kanten op gaat, meerdere verschillende melodiefragmenten bevat, stopt en toch weer doorgaat, ver buiten het gebruikelijke Macca-idioom. Het minst vind ik Lavatory Lil, qua compositie en titel een verre achternicht van Polythene Pam. Maar niet zo goed, helaas.

Aardig als 'weetjes' zijn het gebruik  in sommige nummers van de contrabas van Bill Black, die op de vroege nummers van Elvis Presley speelde, en het gebruik van de originele mellotron uit de EMI-studio's, ooit door The Beatles op een aantal nummers gebruikt. 

We moeten het nog even over de stem van Paul hebben. Paul is 78, het is geen 14 juni 1965 meer, toen The Beatles op één dag én I've Just Seen A Face én I'm Down én Yesterday opnamen, zeer verschillende nummers, alle door Paul gezongen. Pauls stem is zwakker, brozer geworden, met minder bereik. Is dat erg? Ik vind van niet, ik heb het liever dan dat er digitaal van alles aan geknutseld wordt. Ik luister naar Paul McCartney, hij zingt zijn lied, en dit is hoe hij nu klinkt. 

Wat mij daarentegen maar matig bevalt, is de doorgeslagen marketing rond Paul McCartney. Op deze site staan op het moment dat ik dit blog tik 21 verschillende edities: lp's, cd's en cassettes, met verschillende hoes- en vinylkleuren, met of zonder wisselende bonustracks. Daarnaast zijn er  ook nog verschillende download- en streamingbundels. Veel plezier, ik doe daar niet aan mee. Misschien koop ik, als die er is en betaalbaar blijkt, een editie met 'de meeste bonustracks', of anders gewoon een standaard editie. Alles is dicht, voorlopig luister ik via Spotify.

Medit en medat, ik ben gewoon blij dat deze plaat er is, daar knapt een mens van op.

09 december 2020

9 december 1980, een koude, grauwe winterdag

9 december 1980, een koude, grauwe winterdag. Het is 40 jaar geleden, maar 9 december 1980 is een dag die ik niet vergeet. Ik woonde en studeerde in Delft. De avond ervoor was het laat geworden, dus ik lag om ongeveer kwart voor negen nog in bed. Beneden werd gebeld, een ongewoon vroeg tijdstip voor ons studentenhuis. Mijn bovenbuurman deed open, en het bezoek stommelde de trap op. De deur zwaaide open en studievriend R. stond druk bewegend in mijn kamer. 'John Lennon is doodgeschoten! John Lennon is doodgeschoten, het was op het nieuws!' Ik zette de radio aan, op Hilversum 3. Er werd een gewoon popplaatje gedraaid, niks bijzonders te horen. Ik kon het niet geloven, 1980 was tot nu toe immers een fantastisch John Lennonjaar geweest.

In augustus was er ineens een berichtje met een foto in een van de muziekbladen (Billboard, NME of Musical Express, die ik vaak 'doornam' bij de tijdschriftenhandel), van John en Yoko op weg naar de platenstudio, voor het eerst in vijf jaar!

In mijn herinnering is het deze foto (maar dan in zwart-wit) van Paul Goresh, genomen op 7 augustus, toen John en Yoko hun appartement in het Dakota-gebouw verlieten, op weg naar de studio. Maar ik twijfel hier nu toch sterk aan, het is onwaarschijnlijk dat het echt deze foto was. Paul Goresh was geen professioneel fotograaf, maar een fan. De foto is wel door Yoko gebruikt als hoes van de single Watching The Wheels, en later bij andere releases. Ik laat de foto staan, symbool voor het weer naar buiten treden van John.

In september was er het eerste interview geweest, in Newsweek. Er zouden meer, en langere interviews verschijnen, maar dit eerste, korte interview was al geweldig om te lezen, na vijf jaar stilte. Af en toe was er een berichtje in de muziekbladen over de de nieuwe John Lennon-lp die er kennelijk zat aan te komen. De lp zou uitkomen op het nieuwe label van David Geffen, die in die periode een paar grote namen wist te strikken. John had ergens gezegd dat het een lp zou worden met '14 lovesongs'. Er zouden ook nummers van Yoko op de plaat komen. Cheap Trick (toen een bekende naam, met de hit I Want You To Want Me) zou meedoen op een of meer nummers. 

Eind oktober was er de eerste single, (Just Like) Starting Over. Ik kocht 'm bij Het Platenmanneke in Delft, op de dag dat hij uitkwam. Draaien maar. Die bekende stem klonk weer uit de boxen. En nog eens draaien, en nog eens en nog eens. Half november was er dan de lp, Double Fantasy. Ook die werd meteen gekocht. Niet iedereen was even blij met de plaat, het was een andere Lennon dan we gewend waren, en er stonden ook Yoko-nummers op. Ik vond (en vind) het een prima plaat. 

9 december 1980, een koude, grauwe winterdag. John was dood. Ik weet niet meer of ik die dag nog naar college ben gegaan. Misschien wilde ik niet meer, of misschien was het tentamenperiode, ik kan het mij niet herinneren. 's middags ging ik langs de platenwinkel. De etalage was volledig ingericht met platen van John en The Beatles. Binnen klonk Double Fantasy, dat weet ik nog. Ik sprak kort met een van de verkopers, hij had tranen in zijn ogen. Ik ook. De dader zou een doorgedraaide fan zijn. Het was zo onwerkelijk allemaal.

9 december 1980, een koude, grauwe winterdag. Op dinsdag at ik altijd bij mijn ouders in Den Haag, daarna schaken in Rijswijk. Bij mijn ouders keek ik nog even naar het Journaal. Natuurlijk was er aandacht voor de moord op John. Als muziek bij het onderwerp had men gekozen voor Let It Be. Tja. Naar de schaakvereniging dan maar. Deze keer kon ik mijn gedachten niet bij het spel houden, snel werd er tot remise besloten. Ik weigerde het gebruikelijke tweede partijtje en fietste terug naar Delft. Ik ging langs bij T., studievriend en mede-Beatles-fan. We zaten een tijd zwijgend tegenover elkaar, niet wetend wat te zeggen. We draaiden nummers van alle Lennon-lp's, van John Lennon Plastic Ono Band tot en met Double Fantasy. We dronken nog een biertje, daarna ging ik naar huis.

9 december 1980, een koude, grauwe winterdag.

12 november 2020

Drie keer is scheepsrecht: terug naar Het Bureau

Het is lezers van dit blog bekend, ik ben een liefhebber van J.J. Voskuil, van Het Bureau. Ik las het destijds ongeveer bij verschijnen, tussen 1996 en 2000, en daarna nog eens in 2015. Het leek mij leuk om het dit jaar (waarin ik stopte met werken op 'mijn Bureau') nog een derde keer te lezen. Ik begon op 20 mei, de dag na mijn laatste werkdag. Zonder werk en in eerste en tweede lockdown las ik vlot de eerste zes delen. Het zevende deel, De dood van Maarten Koning, dat begint op de eerste dag van Maartens VUT, las ik op 6 november, de eerste dag na mijn officiële uitdiensttreding. Het was fijn om weer te lezen. Hoe ga je om met mensen, voor wie je niet gekozen hebt, maar die je collega's zijn? Herkenbaar, veel mensen zitten in die zin 'op een Bureau'. Hoe ga je om met je vak, de verantwoordelijkheid daarvoor die je eigenlijk niet gewild hebt, en met je collega's. Goed boek, goede dialogen. Deel 7 is verplichte stof voor iedereen die met pensioen gaat.
Tijdens het lezen hoorde ik in de dialogen vaak de stemmen van het hoorspel van Krijn ter Braak, dat ik ook twee of drie keer beluisterde. Tegenwoordig beschikbaar als podcast (475 afleveringen). Na deel 7 las ik nog wat in De discipline van het dagelijks leven, een dubbelnummer uit 1999 van het Volkskundig Bulletin (in Het Bureau: Het Bulletin). Dit dubbelnummer verscheen bij gelegenheid van het afscheid van Ton Dekker (in Het Bureau: Ad Muller). Er staan artikelen in over de thema's uit Dekkers loopbaan bij het Meertens Instituut, leuk is een interview met Ton Dekker over zijn carrière. Hoe ervoer hij het werk, de collegialiteit, het vak. Daarnaast nog een artikel van Gerard Rooijakkers, Is dit mijn leven? over fiction en faction in Het Bureau, de ethiek van het verbeelden van collega's in een roman en Voskuils thema van het menselijk onvermogen.

Nu ga ik weer wat anders lezen.