Twentstraat, Den Haag. Fotograaf H.A.W. Douwes, collectie Haags Gemeentearchief.
Het huis, Twentstraat 219, had twee kamers beneden, en een klein kamertje achter op de eerste verdieping. De kamer aan de straatkant was niet groot, er was een bedstee, waar de meisjes (drie) uit het gezin sliepen. Mijn moeder, het vierde meisje, sliep in een bedje in dezelfde kamer. Er was een soort doorgang naar de achterkamer. In die doorgang stond een bed, daar sliepen drie broers. De ouders sliepen in de grotere achterkamer, ook in een bedstee. Mijn moeders grootmoeder sliep in het kleine kamertje op de verdieping achter, twee oudere broers waren al uit huis. Er waren een radio en een grammofoon in huis.
De tuin was betrekkelijk groot, aan huis was er een stoepje, in het midden stond een grote rozenstruik, met een schelpenpaadje eromheen. Aan de linkerkant tegen de schutting was een grote kippenren, elke dag weren er dus wat verse eieren. Links achterin stond een seringenboom.
In het voorjaar kwam een boer door de straat, die mest verkocht. Er werd dan een teil mest gekocht, die door de gang naar achteren, naar de tuin moest, waar het met water werd aangelengd en over de tuin verspreid.
Buren waren de families Grevenstette (boven, aan de voorzijde) en Mertens. De heer Grevenstette werkte bij Peek & Cloppenburg, hij bracht bestellingen rond met een bakfiets, in uniform. De heer Mertens had fournituren- en stoffenwinkels, De Zon, op het Jonckbloetplein, en even verderop, op het Lorentzplein. Aan de overkant woonde de familie Toorenburg.
De school was in de parallel gelegen Sirtemastraat, vanaf de singel gezien links, voor de brouwerij. Het was een groot gebouw, met een eigen gymzaal. Al spelend liepen de kinderen daar naartoe, door de 'Kleine Sirtemastraat', een verkeersvrije steeg. Namen die nog herinnerd worden: Meester De Bruin, juffrouwen Kelder (lagere klassen) en Akkerman, en het Hoofd der School, meester Butner. Daarnaast nog van een paar klasgenoten, van wie ik de namen nog achterhoud, omdat het niet helemaal ondenkbaar is dat ze er (net als mijn moeder) nog zijn.
Ook in de Sirtemastraat was de brouwerij van ZHB. Mijn moeder herinnert zich hoe ze als kind vanuit de tuin naar de brand in de brouwerij heeft gekeken. Dit maakte grote indruk. Het zal de brand van 22 november 1929 geweest zijn.
Behalve de eerdergenoemde boer, kwamen meer verkopers, handelaren en ander volk door de straat.
Het huisvuil werd opgehaald uit open houten asbakken (Haags woord) met handvatten aan weerszijden.
Als er nieuwe haring was, kwamen Scheveningse vrouwen, toen nog allemaal in klederdracht, om haring te verkopen. Ze droegen nog het traditionele juk, met emmers haring. Ze kwamen lopen vanuit Scheveningen, vanuit de haven via Statenlaan, Koningin Emmakade en Waldeck Pyrmontkade.
Er was een joodse handelaar, die kwam met een hondenkar door de straat. Hij verkocht zoute bommen. 'Zoute bommen! Zoute bommen!'
Er was een gehandicapte, invalide bedelaar, Sjimmie. De man had geen benen en zat in een karretje. Hij reed langs de deuren en trok aan de bel met het handvat van een wandelstok.
Dan was er nog de bakfiets met daarop een piano, die werd bespeeld. Er hoorde ook een tweede man bij, die langs de deuren ging om geld op te halen.
In die tijd was de markt nog niet aan de Herman Costerstraat, maar op de Prinsegracht, tussen Boekhorststraat en Lijnbaan. De groentemarkt was in het verlengde daarvan, op de 's-Gravenzandelaan.
In de straat waren ook een paar winkels en bedrijfjes. Tegenover het huis van mijn moeder was een leesbibliotheek, daarnaast een (doods)kistenmakerij, en een hoefsmid. De geur als er hoeven werden gezet. Ook was in de straat een kruidenier, en de stokerij Paalvast, waar heet water gehaald kon worden. Op maandagen bracht Paalvast vijf tonnetjes (aangegeven werd een maat van ongeveer 40 cm hoog) heet water, zodat de was gedaan kon worden. Paalvast leverde ook de antraciet voor de kolenkachels.
De melkboer heette Van Zanten. De garage van de melkboer was naast het huis van mijn moeder.
Verder was er ook nog een café, en een sigarenwinkel, van Gerrese.
In de jaren 20 reed er een WSM-stoomtram vanaf de Lijnbaan, via de Loosduinseweg naar Loosduinen. Op de Loosduinsebrug werd deze begeleid door een man met een rood spiegelei, om de mensen te waarschuwen voor het naderend gevaar. Deze man werd door de kinderen Jan Toffee genoemd. Waarom weet mijn moeder niet meer.
Aan de andere kant van het water, aan de Noord-West Buitensingel, zat bakkerij De Hoop. Mijn moeder (kind in groot gezin) ging daar brood halen in een schoon kussensloop. Ze haalde 'brood van de dag ervoor', dat was goedkoper.
