28 februari 2024

En ineens... ben je 40 jaar verder

Vandaag is het precies veertig jaar geleden dat ik afstudeerde. Van de dag zelf weet ik niet zoveel meer.

Ik had een pak gekocht, want ik ging afstuderen, ik was aan het solliciteren en mijn broer ging trouwen, een maand later.

Vanaf mijn studentenflatje in Delft-Zuid fietste ik naar de Aula van de TH. Daar stonden mijn ouders, broer, vriendin (nu: echtgenote), schoonouders, een paar ooms en tantes en wat vrienden.

In de aula werden aan de 19 geslaagden van die dag de diploma's uitgereikt, door Prof. M.J. Smith, M.Sc. C.Eng., om het maar eens precies te zeggen.
Mijn broer en nog iemand (ik weet niet meer wie) maakten een paar foto's. 

Daarna werden alle kandidaten persoonlijk toegesproken door hun afstudeerhoogleraar, bij mij Prof. ir. C.J. Hoogendoorn.


 

Vervolgens werd er nog een groepsfoto gemaakt. Uw blogger staat links vooraan op de de foto. Een aantal namen is inmiddels vergeten, maar ik zie wel: Peert, Kiekertak, Bolmikolke, Klotterbooke, Taas Daamde, Whimpysinger, De Moraatz en Van der Karbargenbok. Waar zijn ze gebleven....

 

Toen was er nog handjes schudden in de Aula, en daarna gingen we weer ieder ons weegs. 's avonds aten we bami bij mijn ouders, daarna fietsten we terug naar Delft. Het einde van een periode, en een mooie dag.

06 februari 2024

Ik las: J.J. Voskuil, Martelaarschap (Dagboeken 1965 - 1974)

Martelaarschap (Dagboeken 1965 - 1974) is het derde deel van een reeks van zeven dikke delen met de dagboeken van J.J. Voskuil. Dit deel beslaat dus de jaren 1965 - 1974, maar verreweg het meeste van de ruim 700 bladzijden zijn aantekeningen uit 1973 en de eerste helft van 1974. In 1967 noteerde Voskuil helemaal niets, andere jaren weinig, maar vanaf 1973 gaat het flink los. 

Voskuil lezen is voor mij ook altijd (genoeglijk) studeren. Naast dit dagboekdeel (en het vorige) las ik om te beginnen ook op de juiste plaatsen de vakantiedagboeken, in dit geval gepubliceerd in Terloops (vakanties 1965 - 1973) en Buiten schot (1974).

 

Vooral de Bureau-lezer zal vele aantekeningen herkennen als scènes uit Het Bureau, in dit geval delen 2 en 3, Vuile handen en Plankton. Het dagboek is rijkelijk geannoteerd met nadere uitleg en verwijzingen o.a. naar corresponderende, vaak letterlijk overgenomen scènes in Het Bureau.

Wat mij bij het dagboek meer of beter opviel dan bij Het Bureau, is dat Voskuil niet zozeer afrekent met zijn collega's, maar vooral zichzelf probeert te begrijpen. Voskuil heeft vaak gezegd dat de enige reden om te schrijven is: over eigen gedrag rekenschap afleggen. Zo bezien zou Het boek IK een betere titel geweest zijn voor Het Bureau. (Maar ja, dat boek bestond al.)

Ook andere boeken van Voskuil: Requiem voor een vriend, Onder andere, De moeder van Nicolien en zijn toneelstuk Mensenkinderen bevatten passages die letterlijk uit het dagboek zijn overgenomen. Naast stukken uit deze boeken las ik ook relevante passages in Frida Vogels' De harde kern 2, en Dagboek 1972 - 1973 en 1974 - 1975. Vogels beschrijft in die passages dezelfde ontmoetingen, maar dan natuurlijk vanuit haar gezichtspunt.

Waar ik benieuwd naar was, was wat er precies gebeurde rond het niet publiceren in 1968 van Binnen de huid door Van Oorschot. Spoiler alert: dat staat er niet in. Na Bij nader inzien werkte Voskuil jarenlang aan zijn tweede roman Binnen de huid. Dit vergde zoveel energie dat hij tot aan het gereedkomen in 1968 nauwelijks of niet in zijn dagboek schreef. Na gereedkomen stuurde hij het manuscript o.a. naar uitgever Geert van Oorschot. Die reageerde niet positief. Dit leidde tot beëindigen van de vriendschap tussen Voskuil en Van Oorschot. Het was interessant geweest hier in het dagboek meer over te lezen. Maar Voskuil wijdt er vrijwel geen woord aan. Binnen de huid bleef ongepubliceerd tot na zijn overlijden, en verscheen pas in 2009. Voskuil heeft hierover op andere plaatsen overigens wel iets geschreven, in zijn bijdrage aan Brieven van een uitgever en in zijn herinneringen aan Van Oorschot: Geert, gepubliceerd in Tirade 389, later gebundeld in Onder andere. 

Wat ik me tijdens het lezen steeds meer ben gaan afvragen is hoe Voskuil het toch heeft uitgehouden, hij lijkt werkelijk aan alles en iedereen een hekel te hebben. Aan zijn vader, zijn broers en schoonzussen, collega's, aan zijn 'vrienden', aan zijn werk, en ook met echtgenote Loesje heeft hij het regelmatig aan de stok. Het is geweldig lezen, dat wel. 

Ik kijk uit naar deel vier van de dagboeken: Uitzicht op geluk (Dagboeken 1974 - 1976), dat nu gepland staat voor mei 2024.

01 februari 2024

Dag lief oud huis

In november vorig jaar kwam door overlijden een eind aan een lange bewoning door ons gezin van mijn 'ouderlijk huis'. De afgelopen weken heb ik administratieve, persoonlijke en dierbare zaken uit het huis meegenomen. Een aantal spullen is verkocht, is weggebracht naar de nabijgelegen weggeefwinkel, of gegeven aan belangstelling hebbende familie of vrienden. De rest is afgelopen week opgeruimd. Eergisteren is de huurgeiser meegenomen door het energiebedrijf. Gisteren is de sleutel overhandigd aan de verhuurder. Een zakelijke opsomming van de gang van zaken. 

Maar een ouderlijk huis is niet zomaar een huis, natuurlijk. Er is door ons, door mij in geleefd (ik woonde er van 1959 tot 1976), er zweven nog verhalen, en ook geheimen, er zijn vrolijke en verdrietige dingen gebeurd. Ook die gaan door mijn hoofd, deze dagen. 

Ik herinner mij, dat ik op 2 april 1959 (of kort daarna, dit is de datum van de huurovereenkomst, die zit nu in mijn administratie, en ik heb hier overigens geen tikfout gemaakt) met mijn vader naar 'het nieuwe huis' liep om het te bekijken.


Het was leeg en kaal, eigenlijk net als nu, bijna 65 jaar verder. Een 4-kamerwoning op de eerste verdieping. Voor ons een flinke vooruitgang, van twee kleine kamers die mijn ouders (met een kleuter en een baby) huurden, een eindje verderop in dezelfde straat. (In feite is mijn ouderlijk huis dus altijd in dezelfde straat geweest, op twee adressen.) Een badkamer of douche was er natuurlijk niet, we gingen in de teil, en later naar het badhuis. 


Mijn broertje en ik sliepen in het zijkamertje aan de voorkant, in opklapbedden. Later in een stapelbed, zodat er een bureautje bij kon. Hoeveel de huur in 1959 bedroeg weet ik niet, maar in 1969 was deze fl. 10,71 per week. Dat werd op vrijdag opgehaald. In juli van dat jaar gingen mijn ouders per maand betalen, met 'de giro'. 


Ik hoop dat het glas-in-lood in de ramen behouden kan blijven. Het is onbeschadigd en geeft een aangenaam licht in de kamers. In de straat is het verder bijna overal verdwenen.


In de gang zijn de originele glazen wandtegels ook nog aanwezig. Als jongetje zat ik daar te spelen, en zag in die tegels van alles. Sterren, landkaarten, uitzicht vanuit een raket naar de aarde, wolken. 

 

Op het balkon is nog een kolenkast, daar heb ik 's winters ook kolen staan scheppen.

 

Een of twee details die ik als kind zag, buiten: het betonijzerplekje, dat op de elfde tree van het portiek aan de oppervlakte kwam. Het zit er natuurlijk nog steeds. 


In een holte in een voeg aan de rechterkant van de portiektrap verstopte ik ooit een knikker, daarna smeerde ik het dicht met wat cement dat ik ergens vandaan had. Die 'schat' zit er nog steeds. Ooit, als het huis wordt afgebroken, wordt deze knikker gevonden en komt het in de krant. Dat was in ieder geval het idee. 

 

Ten slotte: in dit huis woonde van april 1936 tot augustus 1942 ook het gezin Raphalowiz. Ik heb op verschillende plekken hierover geschreven. In de stoep voor het portiek liggen sinds juni vorig jaar drie struikelstenen.

Nou ja. Ik zou nog meer kunnen zeggen, natuurlijk. Veel meer. Maar ik zeg nu: Dag lief oud huis.