
Naar aanleiding van Frida Vogels'
Dagboek 1968-1969 las ik
Binnen de huid van J.J. Voskuil nog een keer. Het boek maakte op mij nu nog meer indruk dan
de eerste keer, vlak na verschijnen in 2009. Ik zou niet snel een boek kunnen noemen waarin de schrijver zo volslagen eerlijk zijn gedrag en gedachten analyseert, rekenschap geeft en verantwoording aflegt, over zichzelf, naar zichzelf en naar zijn vrienden. Het is daardoor (vind ik) nog meer dan
Bij nader inzien een boek in de
Forum-traditie van
Ter Braak en Du Perron.
Ik schreef al dat het boek bij verschijnen voor enige beroering zorgde. De recensies waren over het algemeen positief, behalve (opmerkelijk) die van Elsbeth Etty op 10 april 2009 in NRC. Naar mijn smaak sloeg zij in haar bespreking de plank volledig mis.
Ik heb deze recensie van Elsbeth Etty nog eens, en weer met stijgende verbazing, gelezen. Verbazing, want bij vorige gelegenheden wist zij, naar mijn idee, de essentie van Voskuils boeken juist te duiden en te waarderen. Dit keer is zij daar naar mijn smaak totaal niet in geslaagd. De recensie is volgens mij doorspekt met impliciete, soms vileine aannames van Etty, die vrijwel zonder uitzondering in het nadeel van Voskuil worden uitgelegd. Ik pik er een paar uit:
'Hij zag zichzelf veroordeeld tot een zinloos ambtenarenbestaan' schrijft Etty. Voskuil koos juist daarvoor, als consequentie van zijn opvattingen, en was gedesillusioneerd te merken dat hij de enige was.
'In een klap transformeerde de kleurloze pennelikker tot een gevierd schrijver'. Een opmerking niet zonder dedain, en zoals Frida Vogels al opmerkte (NRC 1-5-2009), gevierd schrijver zijn streefde Voskuil zeker niet na.
Verder streefde Voskuil zeker niet, zoals gesuggereerd wordt, de publicatie na van
Binnen de huid.
Van Oorschot kreeg het manuscript te lezen als vriend, en niet als uitgever. Dit misverstand leidde vervolgens tot de verwijdering tussen uitgever en schrijver. Voskuil heeft dit een paar keer toegelicht in interviews, en beschreven in
'Geert' (Tirade 389, herdrukt in
Onder andere), en onlangs is dit nog eens bevestigd door Wouter van Oorschot.
Elsbeth Etty relativeert de moed die er voor nodig zou zijn om in 1968 een boek over overspel te publiceren. Maar het boek gaat naar mijn idee helemaal niet over overspel. Het boek gaat, zoals alle boeken van Voskuil, over Voskuil, en de moed is daarin gelegen dat Voskuil deze specifieke gang van zaken op heeft durven schrijven. Denken aan seks zou taboe zijn voor Maarten Koning. Nee, maar in die vorige boeken was het niet nodig voor het probleem en kwam het dus (bijna) niet voor. Nu dus wel, om duidelijke redenen.
Wie meer van en over Voskuil heeft gelezen zal het niet verbazen dat hij intelligent of oliedom-zijn niet correleert met een academische graad, en dus kan Rosalie dom en Nicolien intelligent zijn (opmerkelijk dat Etty dit laatste woord tussen aanhalingstekens plaatst).
Het blijft ook gissen waarom Etty schrijft over
'het comfortabel opgegroeide zoontje van de hoofdredacteur van Het Vrije Volk', het lijkt alsof daar een flinke portie vooroordeel aan ten grondslag ligt.
Goed, de herlezing was ingegeven door de notities van Frida Vogels (in
Dagboek 1968-1969), die het manuscript las na voltooiïng in 1968.
Human interest voor de liefhebbers, zeg maar. Frida Vogels leest dit boek vanaf 19 april 1968. Uit het eerste citaat blijkt dat de tekst voor de uiteindelijke publicatie in 2009 nog is herzien op punten. Uit Vogels' aantekeningen blijkt niet dat zij op de hoogte is geweest van de gebeurtenissen die in dit boek beschreven zijn. Vogels heeft moeite met het beeld dat van haar wordt getekend, Koud, cynisch, superieur. Het aangrijpende van het boek is volgens Vogels dat Voskuil zich kwetsbaar maakt. Elke rotzak kan het de grond intrappen. Het tweede kwart van het boek gaat alleen over Voskuil, en is volgens Vogels beter. Het eind van het boek is 'prachtig, bevrijdend'. Het boek betekent iets. 26 april 1968: Uit voorgelezen dagboekaantekeningen van Voskuil blijkt dat Lousje van de gebeurtenissen in Voskuils boek niets afwist, dit heeft bij lezing geleid tot verschrikkelijke ruzies. Na lezing van het volledige manuscript heeft ze het als een prachtig, moedig boek erkend. Het heeft Voskuil veel moeite gekost dit boek te schrijven, dit gebeurde tussen 1964 en 1968, met soms maar een of twee zinnen per dag.
Momenteel herlees ik Frida Vogels'
Dagboek 1954-1957, waarin de periode valt waarin
Binnen de huid speelt. Ook hier geen verwijzingen naar de overspelsituatie tussen Voskuil en Suus Oversteegen (Rosalie Balmakers), maar wel een brief aan Jaap Oversteegen (Paul Dehoes) waarin rekenschap gegeven wordt van de breuk tussen Vogels en Oversteegen, die ook in
Binnen de huid uitgebreid beschreven wordt en, in een iets andere, deels hiermee overeenkomende, versie in
Kees, het verhaal over Frida's broer Michiel, in
Onder andere. Ik weet het, een typisch geval van recursief lezen. Zo is dat kennelijk met mij. Over dat eerste dagboekdeel van Frida Vogels blog ik misschien een andere keer.