Op de middelbare school las ik voor het eerst Nescio. De uitvreter/Titaantjes/Dichtertje/Mene Tekel. Ik vrees dat die keuze destijds was ingegeven door de omvang van het boekje van niet meer dan zo'n 150 bladzijden. Snel klaar voor de leeslijst. Het waren aardige verhalen, maar het deed mij toen niet veel en de eigenzinnige spelling (hatti, zette-n-i) vond ik maar vreemd. Jaren later herlas ik het en toen was het wél raak. Ik kocht toen ook Boven het dal, het 'andere boek van Nescio'.
In 1996 verscheen dan in 2 dikke delen het Verzameld Werk, met alle publicabel geachte teksten, die in 'Nescio's laatjes' hadden gelegen. Er zit veel, heel veel prachtigs tussen. Het Natuurdagboek, dat Grönloh na de oorlog bijhield over zijn wandelingen en fietstochten, schitterend is het.
En nu: eindelijk is er dan de biografie van Nescio, door Lieneke Frerichs. De erven-Grönloh hebben hun terughoudendheid opgegeven en toestemming gegeven tot nu toe gesloten verzamelingen te gebruiken voor een biografie.
Het is een kloek boek geworden, zo'n 650 pagina's, voor een schrijver van (bij leven) een kleine 200 bladzijden gepubliceerd werk. Ik vind de biografie prachtig, een heerlijk uitgebreide levensbeschrijving, over zijn schrijverschap en hoe hij daarmee omging, wars van publiciteit en bekendheid, over zijn persoonlijk leven en over het kantoorleven, Grönloh had naast de jeugdidealen waarover hij schreef, ook een keurige kantoorbaaan.
Al lezend in de biografie bedacht ik mij (niet als eerste) dat Grönloh op een bepaalde manier een zekere verwantschap heeft met J.J. Voskuil. Ook Voskuil had (in zijn geval in de studietijd) grote idealen, die hij met een vriendenclub wilde nastreven. Beiden schreven over de tijd van idealen en de vrienden, Grönloh als Nescio in Titaantjes, Voskuil in Bij nader inzien. Beiden konden hun idealen niet verwezenlijken en belandden op kantoor. Zowel Grönloh als Voskuil trokken in hun vrije tijd graag de stad uit, en beiden ergerden zich aan veranderingen in 'hun' landschap, de natuur, Amsterdam. Van Nescio is in 1997 zijn Natuurdagboek verschenen, dit jaar kwam van Voskuil Had je nog willen wandelen? uit. Beide schrijvers hebben ook ledigheid, zinloosheid als thema, net als het Bijbelboek Prediker. Sommige teksten van Nescio, vooral in De uitvreter, lijken soms bijna woordelijk ontleend hieraan.
En 't water klotste en rees en daalde, en door de nacht schoof de zon die je niet zag door 't Noorden. En 't laatste licht van den dag schoof mee door 't Noorden en werd 't eerste licht van den nieuwen morgen. Zoo raakte de eene dag aan den anderen, zooals dat in Juni altijd is.
(De uitvreter)
Ook rijst de zon op, en de zon gaat onder, en zij hijgt naar haar plaats, waar zij oprees.
Zij gaat naar het zuiden, en zij gaat om naar het noorden; de wind gaat steeds omgaande, en de wind keert weder tot zijn omgangen.
(Prediker 1:5-6)
Bekker las uit Dante voor, de Prediker en 't Hooglied en 't boek Job kende-n-i uit z'n hoofd. 't Was heel indrukwekkend.
(Titaantjes)
Ook Voskuil refereert, herinnert aan Prediker. In Bij nader inzien is er voortdurend niets nieuws onder de zon, alles is zinloos. In 1997 publiceerde hij een korte schets, Prediker 12, vs 12. Voskuil geeft in deze schets een aan Prediker verwante levensfilosofie: hij wil leven uit ‘een diepgeworteld besef van de zinledigheid van het bestaan’.
Nescio en Voskuil, ik lees en herlees beide schrijvers graag. De boeken lijken in omvang uiterste tegenpolen, Nescio's bij leven verschenen bundels tellen 150 en 92 bladzijden, Bij nader inzien 1207, Het Bureau 5000. Het huis van de literatuur heeft vele kamers, zei A.F.Th. ooit.