25 juli 2021

Uit het familiealbum

Een nicht van mij heeft een oud foto-albumpje, waarin zo'n 15 oude foto's. Waarschijnlijk ooit in bezit van een ongetrouwd gebleven oud-tante. Of ik (de stamboomoloog van de familie) wist wie daar allemaal op stonden.

Nou ja, voor een deel wel. Onze opa en oma, en een oom, maar daarna werd het wat moeilijker.

Intrigerend was vooral een oud familieportretje, waarop hoogstwaarschijnlijk een echtpaar en drie dochters. Wie zouden het zijn?


Het foto'tje is van karton, en meet 7,5 x 9,8 cm. De foto is ongeveer 0,6 mm dik. Op grond van dit laatste (het belangrijkste kenmerk) zou hij tussen 1870 en 1885 gemaakt kunnen zijn. Hier een meethulp van Peter Eykerman (pdf).



De achterkant is ook interessant. Er zit een beschadigd etiket op van de fotograaf. Ik kwam na vergroten en turen uiteindelijk op A. van der Henst. Dit is inderdaad een fotograaf, die in de periode 1869 tot 1883 in Den Haag werkzaam was, tot 1880 aan de Zuidwal, daarna in de Trompstraat. Zie hier zijn vermelding in de RKD-database.

Van wie zou een ongetrouwde oud-tante (geboren 1896) een foto kunnen hebben? Broers of zussen komen niet in aanmerking, die waren er nog niet in 1869 - 1883. Haar ouders (mijn overgrootouders) met kinderen kan ook niet, de gezinssamenstelling (3 meisjes) klopt niet, en ik heb andere foto's van dat gezin. Haar grootouders (mijn bet-overgrootouders) dan? Aan vaderszijde klopt de gezinssamenstelling niet, maar aan moederszijde...

Aan moederszijde waren haar grootouders Elbert Barink en Anna Elisabeth van den Bergh. Zij arriveerden in 1856 en 1858 in Den Haag, ontmoetten elkaar kennelijk en trouwden in 1861. Elbert verdiende de kost als 'broodverkooper', vormer en koopman. Anna Elisabeth was dienstbode. Ze kregen zes kinderen, maar drie overleden jong, de laatste op 24 augustus 1870. Drie dochters werden wel volwassen. In 1870 waren die dochters respectievelijk 9, 8 en 3 jaar oud. Ik denk dat het jongste kind een jaar of 5 is, op de foto. Dan zal de foto gemaakt zijn in 1872. Zeg maar 150 jaar geleden. In het bevolkingsregister van het Haags Gemeentearchief vond ik een reeks adressen waar het gezin woonde, bijna allemaal in het Spuikwartier of in de Stationsbuurt. Dat is niet ver van de fotograaf, op de Zuidwal.

Op de gevonden adressen staat nu overal een nieuwer gebouwd huis, behalve Spui 273, dat zal nog hetzelfde zijn.



Overigens lijkt het mij onwaarschijnlijk dat het gezin Barink dit pand alleen bewoonde, ik denk dat er een etage of misschien zelfs een kamer gehuurd werd.

Hoewel er niemand meer is die deze mensen in het echt gezien heeft ben ik op grond van de herkomst van de foto, de gezinssamenstelling, de datering van de foto en de gegevens van de fotograaf overtuigd: dit zijn mijn bet-overgrootouders met hun kinderen. Nu de andere foto's in het album nog.

23 juli 2021

Misjo Joezmeski

Afgelopen week brachten we een bus vol spullen naar onze zoon in Zweden. Bij het inpakken in oude kranten zag ik in de NRC van 26/27 juni een niet eerder door mij opgemerkt bericht, de necrologie van Misjo Joezmeski.

Misjo Joezmeski was een onvermoeibaar bevorderaar voor de lokale (Ohrid, Macedonië) bekendheid van de Nederlandse schrijver A. den Doolaard, die daar 'doolde', verbleef, van het land hield en erover schreef (De herberg met het hoefijzer, De bruiloft der zeven zigeuners). Zoals in de necrologie staat: hij leidde toeristen rond, zorgde voor een monument en richtte een museum in.

In 2012 waren we in Ohrid met vakantie, en blogde ik over A. den Doolaard en Ohrid, hier en hier. In het plaatselijke Cultura 365 centrum, waar dat A. den Doolaard Museum is ingericht sprak ik met (eigenaar) Joezmeski. Of eigenlijk sprak hij vooral met mij, en vertelde hij ongeveer een uur lang van alles over de in Nederland bijna vergeten schrijver en Ohrid.

Ik kocht twee door hem geschreven boekjes, en we maakten een foto.



Ik kende hem na dat uur natuurlijk niet, maar mijn indruk was: een enthousiaste, aardige man. Ik hoop dat het A. den Doolaard Museum kan blijven bestaan.

12 juli 2021

Nescio en Voskuil

Op de middelbare school las ik voor het eerst Nescio. De uitvreter/Titaantjes/Dichtertje/Mene Tekel. Ik vrees dat die keuze destijds was ingegeven door de omvang van het boekje van niet meer dan zo'n 150 bladzijden. Snel klaar voor de leeslijst. Het waren aardige verhalen, maar het deed mij toen niet veel en de eigenzinnige spelling (hatti, zette-n-i) vond ik maar vreemd. Jaren later herlas ik het en toen was het wél raak. Ik kocht toen ook Boven het dal, het 'andere boek van Nescio'. 

In 1996 verscheen dan in 2 dikke delen het Verzameld Werk, met alle publicabel geachte teksten, die in 'Nescio's laatjes' hadden gelegen. Er zit veel, heel veel prachtigs tussen. Het Natuurdagboek, dat Grönloh na de oorlog bijhield over zijn wandelingen en fietstochten, schitterend is het. 

En nu: eindelijk is er dan de biografie van Nescio, door Lieneke Frerichs. De erven-Grönloh hebben hun terughoudendheid opgegeven en toestemming gegeven tot nu toe gesloten verzamelingen te gebruiken voor een biografie. 

Het is een kloek boek geworden, zo'n 650 pagina's, voor een schrijver van (bij leven) een kleine 200 bladzijden gepubliceerd werk. Ik vind de biografie prachtig, een heerlijk uitgebreide levensbeschrijving, over zijn schrijverschap en hoe hij daarmee omging, wars van publiciteit en bekendheid, over zijn persoonlijk leven en over het kantoorleven, Grönloh had naast de jeugdidealen waarover hij schreef, ook een keurige kantoorbaaan.

Al lezend in de biografie bedacht ik mij (niet als eerste) dat Grönloh op een bepaalde manier een zekere verwantschap heeft met J.J. Voskuil. Ook Voskuil had (in zijn geval in de studietijd) grote idealen, die hij met een vriendenclub wilde nastreven. Beiden schreven over de tijd van idealen en de vrienden, Grönloh als Nescio in Titaantjes, Voskuil in Bij nader inzien. Beiden konden hun idealen niet verwezenlijken en belandden op kantoor. Zowel Grönloh als Voskuil trokken in hun vrije tijd graag de stad uit, en beiden ergerden zich aan veranderingen in 'hun' landschap, de natuur, Amsterdam. Van Nescio is in 1997 zijn Natuurdagboek verschenen, dit jaar kwam van Voskuil Had je nog willen wandelen? uit. Beide schrijvers hebben ook ledigheid, zinloosheid als thema, net als het Bijbelboek Prediker. Sommige teksten van Nescio, vooral in De uitvreter, lijken soms bijna woordelijk ontleend hieraan.

En 't water klotste en rees en daalde, en door de nacht schoof de zon die je niet zag door 't Noorden. En 't laatste licht van den dag schoof mee door 't Noorden en werd 't eerste licht van den nieuwen morgen. Zoo raakte de eene dag aan den anderen, zooals dat in Juni altijd is.
(De uitvreter)

Ook rijst de zon op, en de zon gaat onder, en zij hijgt naar haar plaats, waar zij oprees.
Zij gaat naar het zuiden, en zij gaat om naar het noorden; de wind gaat steeds omgaande, en de wind keert weder tot zijn omgangen.
(Prediker 1:5-6)

Bekker las uit Dante voor, de Prediker en 't Hooglied en 't boek Job kende-n-i uit z'n hoofd. 't Was heel indrukwekkend.
(Titaantjes)

Ook Voskuil refereert, herinnert aan Prediker. In Bij nader inzien is er voortdurend niets nieuws onder de zon, alles is zinloos. In 1997 publiceerde hij een korte schets, Prediker 12, vs 12. Voskuil geeft in deze schets een aan Prediker verwante levensfilosofie: hij wil leven uit ‘een diepgeworteld besef van de zinledigheid van het bestaan’.

Nescio en Voskuil, ik lees en herlees beide schrijvers graag. De boeken lijken in omvang uiterste tegenpolen, Nescio's bij leven verschenen bundels tellen 150 en 92 bladzijden, Bij nader inzien 1207, Het Bureau 5000. Het huis van de literatuur heeft vele kamers, zei A.F.Th. ooit.