05 februari 2013

Brands in Donner, 3 februari 2013



Afgelopen zondag was ik bij boekhandel Donner, in Rotterdam, daar naartoe gelokt door het vooruitzicht dat Erik Bindervoet en Robert-Jan Henkes door Wim Brands geïnterviewd zouden worden, over hun Ulysses-vertaling Ulixes. Die lees ik momenteel, in het gestage maar misschien iets te langzame tempo van ongeveer 1 hoofdstuk per week.



Maar eerst mocht Gerry van de List (Elsevier) vertellen over zijn Bomans-boekje Ter Herinnering Godfried Bomans (1913-1971). Dit jaar is het 100 jaar geleden dat Boman werd geboren en later dit jaar is Erik of het klein insectenboek het boek dat Nederland leest. In het gesprek werden de bekende Bomans-onderwerpen en -anecdotes aangestipt: De rol van de vader (De man met de witte/zwarte das), Bomans' verhouding met het geloof, de confrontatie met zichzelf (Rottumerplaat), zijn humor ('Had mijn vrouw maar een zo'n been') en welsprekendheid, zijn positie in de literatuur en waarom Bomans daar nooit echt serieus genomen werd. Voor de liefhebbers, maar niet echt verrassend, lijkt mij.



Daarna sprak Wim Brands met Gijsbert van der Wal (NRC, De Avonden) over Wijd open ogen. Ik weet het, Donner is niet hetzelfde podium als tv, maar toch: Van der Wal was toch ook al te gast bij Boeken, op 9 december 2012?
Het gesprek gaat over kijken. En het gaat over schrijven over kunst: niet zweverig of particulier, maar wel proberen mensen vanuit je eigen voorkeuren op een andere manier naar kunst te laten kijken. Echt kijken = afremmen, de tijd nemen.

Ik moest ineens weer denken aan die tv-uitzending. Naar aanleiding daarvan weer ben ik eigenlijk wel benieuwd naar het werk van Theo de Feyter, die elke dag om 5 uur 's middags het uitzicht uit zijn raam in Amsterdam schildert. Natuurlijk ook omdat ik hierbij aan Voskuil moet denken: Als dit nu eens de zin van het bestaan was: Het waarnemen van kleine variaties in steeds hetzelfde stukje van de wereld waar je toevallig woonde. J.J. Voskuil: Het Bureau 7, blz. 86.



Ten slotte kwamen Erik Bindervoet en Robert-Jan Henkes om te praten over James Joyce, Ulysses en hun vertaling Ulixes. Bindervoet had ook een pas-uitgekomen dichtbundel mee (De mond van de waarheid) waaruit hij twee gedichten voordroeg. Ook meegenomen was een biografie van de vader van James, John Stanislaus Joyce (The Voluminous Life and Genius of James Joyce's Father), een geweldige titel. Want niet alleen van James Joyce bestaat een biografie (door Richard Ellmann, een mooie, uitgebreide biografie vind ik), maar dus ook van de vader, de vrouw en de dochter.
Gesproken werd over de invloed van de vader op James. Die invloed was groot. Vader Joyce beschouwde zijn zoon als een genie, en James was zich daar zeer van bewust.
Echtgenote Nora Barnacle was eigenlijk James Joyce' reddende engel, die zorgde dat alles op de pootjes terecht kwam. Als Joyce in Parijs na een nacht doorhalen starnakelbezopen thuiskwam, stond ze hem in de deur op te wachten. 'Kijk, daar komt hij aan hoor, de grote schrijver.'
Dochter Lucia was schizofreen, volgens James Joyce was zij verdronken in de diepten van haar genialiteit. (Volgens sommigen is zij Joyce' muze voor Finnegan's Wake.)
De vertaling van Ulysses duurde 4 jaar (8 manjaar! volgens Henkes), de vertalers namen om en om twee opeenvolgende halve hoofdstukken voor hun rekening, wat na afloop natuurlijk werd besproken en op elkaar afgesteld.
Bindervoet en Henkes hebben geen idiomatische, letterlijke vertaling willen maken, met bleke, saaie zinnen (zoals de vorige vertaling), maar recht willen doen aan Joyce' virtuoze taalspel. Typisch voor Joyce zijn onvolledige zinnen, vaak zonder onderwerp, vaak in de vorm van een monologue intérieur. Vorige vertalers vervolledigden dat vaak met "'k", nu werd het onvolledige gehandhaafd. (Ik moet overigens de beroemde monologue intérieur uit Ulysses, Molly Bloom's Soliloquy, nog lezen.)
Gesproken werd ook nog over de belangrijke rol van liedjes/liederen in Ulysses. Het boek staat vol met flarden van deze liedjes. De vertalers zijn, om die flarden en de verwijzingen ernaar goed te kunnen vertalen, naar de complete teksten teruggegaan. Dat was nodig, maar gaf veel 'extra' uitzoekwerk.
Als illustratie van Joyce' taalvirtuositeit, maar ook van de vertaling van de geluiden in tekst lazen Bindervoet en Henkes ten slotte samen de ouverture van het elfde hoofdstuk, iets meer dan twee bladzijden (p. 302 - 304) met zo'n 60 fragmenten uit de tekst van de rest van het hoofdstuk, dat in de verbeelde vorm van een fuga is geschreven. Dat klonk geweldig! Ulixes als luisterboek, dat zou wat zijn.

Na afloop sprak ik nog kort met Erik Bindervoet over het lezen van Ulixes, en liet mijn exemplaar signeren. Aan het leeslint zag hij waar ik was (p. 693 van de 902, aan het begin van het derde deel). 'Kijk eens', sprak hij bemoedigend, 'Dat gaat lukken, je hebt het ergste achter de rug!'