Deze dichtbundel van Hans Warren verscheen in 1974. Ik lees de gedichten in de 2002 editie van Verzamelde gedichten. De bundel bestaat uit twee afdelingen: Door de eeuwen, met een aantal op kunstwerken, gelezen boeken en belevenissen geïnspireerde gedichten. Het bezwaar is (ik heb het al eerder gezegd) vaak het ontbreken van het directe beeld. Warren voelde dat kennelijk ook wel aan, in zijn Geheim Dagboek 1973 - 1975 noteert hij op 29 augustus 1973 het gedicht Aimé Bonpland dat ook in deze bundel is opgenomen. Bonpland was de oppertuinman van keizerin Joséphine, maar wie weet dat nu nog. Warren schrijft in zijn dagboek na het gedicht:
"Spreekt dit voldoende voor zichzelf? Moet je hier toelichtingen verstrekken? Bonpland is Joséphines oppertuinman geweest, de woorden heeft zij werkelijk ooit gesproken, enzovoorts. Of mag ik aannemen dat de lezer voldoende geïnteresseerd raakt en gaat speuren naar Bonplan? (Foxx: Ik wel, maar het stoort)
Zo, tussen bescheidenheid en pretentie, dreigt het als hulde bedoelde gedicht verloren te gaan."
Daarnaast nog de afdeling Een vallende ster, met liefdesgedichten voor zijn heimelijke liefde Gianni Nurchi. Mooi, teder, ontroerend.