Vandaag deed ik een klein bedrijfsexamentje. Voor allerlei zaakjes (toegang tot het bedrijf, toegang tot bepaalde fabrieken, vergunning voor uitvoeren van bepaalde werkzaamheden in fabrieken) zijn persoonlijke certificaten en vergunningen nodig. Daar horen toetsen bij. Vandaag weer zoiets. Ik moest een aantal meerkeuzevragen beantwoorden. Een van die vragen viel mij op, ik formuleer deze in abstracte vorm hieronder.
Er is 1 goed antwoord:
Welke van de onderstaande 4 beweringen is niet waar?
1. Handeling X kan gebeuren volgens methode A
2. Handeling X kan gebeuren volgens methode B
3. Handeling X kan gebeuren volgens methode C
4. Handeling X kan volgens geen van de methodes A, B of C gedaan worden
Valt U iets op aan deze vraag? Mij wel. Dit is een slechte vraag. Ten eerste omdat er twee keer een ontkenning in voorkomt, uitermate verwarrend en niet echt toetsend op kennis van de stof, maar op ingewikkeld kunnen redeneren.
Maar vooral omdat voor het juist beantwoorden van deze vraag kennis van de stof helemaal niet nodig is. Met logisch redeneren is het antwoord voor iedereen te vinden. Ziet U het antwoord?
Stel, het kan niet volgens A, dan is (1) onwaar en moeten de andere waar zijn (er is immers maar een goed antwoord, dus foute bewering). Maar daarmee is (4) in tegenspraak. Analoge redeneringen gaan ook op voor (2) en (3). Dit betekent, dat (1), (2) en (3) alle waar moeten zijn, en dus is (4) onwaar. Het antwoord is dus: (4).
Deze vraag is dus gratis goed te beantwoorden, met dank aan professor Doorman, en zijn colleges Formele Logica.
(Ik wist het antwoord ook 'uit de stof' overigens, en ik ben verder ook geslaagd, dank U.)