Het flauwe antwoord is: Als ik dat even kwijt ben, kijk ik voor op het boek. Bedoeld wordt natuurlijk: Hoe kies je welk boek je gaat lezen? Dat is een beslissing die door allerlei impulsen wordt ingegeven. Ik noem er een paar.
Er zijn schrijvers die 'áltijd vóór gaan', als er een nieuw boek is. Dat wordt aangeschaft en 'meteen' gelezen. A.F.Th. van der Heijden is zo'n schrijver, Jan Wolkers was er zo een, of Frida Vogels.
(Een keer was er net een nieuw dagboekdeel van Frida Vogels verschenen. Ik liep de boekhandel binnen, en zonder verder naam of titel te noemen, zei de boekhandelaar: "Hij is er." We wisten beiden waar het over ging.)
Dan zijn er schrijvers die je zo weten te boeien, dat je meteen daarna nog een boek van hem of haar wilt lezen, en nog een, en nog een. Op de middelbare school las ik geen enkel boek van Jan Wolkers, eigenlijk omdat verder iedereen dat wél deed. Op 4 januari 1983 kocht ik Serpentina's petticoat, en ik las het in een adem uit. Op 5 januari kocht ik Kort Amerikaans én Gesponnen suiker, en zo ging ik de hele rij af. Op 3 augustus kocht en las ik het 19e Wolkersboek, De junival, en was ik 'helemaal bij'. Daarna heb ik het verder gewoon bijgehouden.
Voordat ik een boek kan lezen moet ik het kopen. Ideeën uit boekenbijlages, VPRO-boeken, tips van de boekhandelaar, een opvallende uitstalling in de boekwinkel, een bespreking in de TROS Nieuwsshow, dat draagt op een of andere manier allemaal bij.
Gisteren las ik Gute Nacht, Freunde van Christoph Buchwald. Betrekkelijk dun, 187 bladzijden, Duitsland in vijfentwintig boeken. Daar zaten er een paar bij bij ik beslist wil lezen. Misschien geraak ik dan in een soort Deutsche Welle. Maar nu nog even niet, want eerder deze week las ik Is dit een mens, van Primo Levi. Dat boek heeft mij zó naar de strot gegrepen, dat ik meer wil. Iemand raadde mij aan Het respijt te lezen, in zekere zin het vervolg, over de zes maanden durende thuisreis van het kamp naar Italië. Vanmorgen heb ik het gekocht. Ik ga er straks aan beginnen.
Ten slotte: waar ik nu toch écht werk van moet gaan maken, zijn mijn leesvoornemens voor 2016. Het jaar is al halverwege. Tot nu toe is alleen het eerste voornemen uitgevoerd.
#50boeken (eigenlijk: #50books) wordt dit jaar gedaan door Hendrik-Jan de Wit. Iedere zondag stelt hij een vraag met betrekking tot boeken. De blogs die we daarover schrijven verzamelt hij op zijn weblog, waar dus een overzicht te vinden is van alle reacties op deze vragen.
17 juni 2016
16 juni 2016
Primo Levi - Is dit een mens

Dit boek is al jaren uit, ik las het nu pas. Is dit een mens. De titel doet mij denken aan de uitspraak van Pontius Pilatus: Ecce homo (Zie de mens), toen hij Jezus aan het volk toonde, gegeseld, met doornenkroon en spotmantel. Maar misschien is dit alleen mijn opvatting. Is dit een mens: Levi beschrijft hoe de mens totaal op de bodem van het bestaan terecht komt, nadat hij geselecteerd is om slavenarbeid te verrichten. Het alternatief (maar dat was op dat moment niet duidelijk) was de mars direct naar de gaskamer, de Pijp.
Levi moet in Buna-Monowitz onnoemelijk zwaar terreinwerk verrichten, in de snerpende kou, in de regen, in de hitte, met schamele kleding, chronisch ondervoed, zolang het licht is, met een rustdag per twee weken. Hij beschrijft de wreedheden van de Duitsers, de onderlinge verhoudingen tussen de gevangenen, de tyfus, dysenterie en difterie om hem heen, en altijd de angst om voor de Pijp geselecteerd te worden vanwege ziekte, zwakheid, of omdat er plaats gemaakt moet worden voor een nieuwe lichting. Aan het eind is het wachten op de Russen. De Duitsers zijn weg, om hem heen sterven de medegevangenen. Men probeert ze buiten te leggen, op het laatst gaat ook dat niet meer. In totale verzwaktheid laat je het stijf bevroren lijk van je bedgenoot maar liggen dan, en probeert verder te slapen. Is dit een mens: volgens Levi blijft er alleen een totaal kapotte, verzwakte, apathische, gedachten- en gevoelloze zak, die van tijd tot tijd gevuld moet met wat brood en liters watersoep.
Levi overleefde, een van de drie van 650 Italiaanse joden van zijn transport.
Ik heb 'dit soort kampverhalen' veel gehoord en gezien op tv, gelezen in andere boeken. Ik kende een kampoverlever die daar nooit over heeft willen praten. Nooit en nergens las ik het indringender dan in dit boek. Nooit en nergens.
Tot slot: in 1961 schreef Levi aan zijn Duitse vertaler. "Ik kan niet begrijpen, niet verdragen dat men een mens beoordeelt niet naar wat hij is, maar naar de groep waar hij toevallig toe behoort." Hij had het hier niet over het lot van de Joden, of over dat van hemzelf. Hij had het over de Duitsers. "Ik heb het Duitse volk nooit gehaat."
Het eindexamen
Het eindexamen bestond uit een schriftelijk en een mondeling deel.
Eerst was er het schriftelijk. Daarvoor moest ik naar de andere kant van de stad. In de Hoge Prins Willemstraat en aan het IJsvogelplein waren de scholen waar het voor leerlingen van onze school werd afgenomen. In een paar dagen werden de vakken er doorgejast, ‘s morgens en ’s middags, gedurende een kleine week. Ik herinner mij er nauwelijks iets van.
Daarna kwam een periode met bijna geen les, veel herhalen en oefenen, ter voorbereiding op het mondeling. Dat viel, in verband met het aantal leerlingen, niet voor iedereen op dezelfde dag.
Het mondeling kreeg je op één dag, in alle vakken, tegelijk met zoveel leerlingen als er vakken waren. Het werd gedaan in een school op de Mient, ook weer een eindje van huis. In het gymlokaal stonden in een cirkel tafeltjes, een voor elk vak. Je ging aan zo’n tafeltje zitten en sprak/deed dan steeds een half uur Nederlands, Frans, Duits, Engels, algebra, meetkunde, natuurkunde, biologie, geschiedenis en aardrijkskunde, met twee examinatoren. Dan ging een bel, was er 5 minuten pauze en schoof je een tafel door. En dan ging de bel weer voor de volgende ronde. Malle toestand.
Aan het eind van de middag moesten we buiten wachten, terwijl binnen de resultaten, samen met die van het schriftelijk, gewogen en bij elkaar opgeteld werden.
Daarna werden we weer naar binnen geroepen, opgesteld in een rijtje, en werd ieder van ons gezegd of we geslaagd of gezakt waren. Alleen Lydia was gezakt. Daarna met diploma op de fiets naar huis, waar mijn ouders in spanning wachtten.
De dag erna gingen we op vakantie, naar Mechelen in Zuid-Limburg, een week logeren bij de familie Wetzels.
Eerst was er het schriftelijk. Daarvoor moest ik naar de andere kant van de stad. In de Hoge Prins Willemstraat en aan het IJsvogelplein waren de scholen waar het voor leerlingen van onze school werd afgenomen. In een paar dagen werden de vakken er doorgejast, ‘s morgens en ’s middags, gedurende een kleine week. Ik herinner mij er nauwelijks iets van.
Daarna kwam een periode met bijna geen les, veel herhalen en oefenen, ter voorbereiding op het mondeling. Dat viel, in verband met het aantal leerlingen, niet voor iedereen op dezelfde dag.
Het mondeling kreeg je op één dag, in alle vakken, tegelijk met zoveel leerlingen als er vakken waren. Het werd gedaan in een school op de Mient, ook weer een eindje van huis. In het gymlokaal stonden in een cirkel tafeltjes, een voor elk vak. Je ging aan zo’n tafeltje zitten en sprak/deed dan steeds een half uur Nederlands, Frans, Duits, Engels, algebra, meetkunde, natuurkunde, biologie, geschiedenis en aardrijkskunde, met twee examinatoren. Dan ging een bel, was er 5 minuten pauze en schoof je een tafel door. En dan ging de bel weer voor de volgende ronde. Malle toestand.
Aan het eind van de middag moesten we buiten wachten, terwijl binnen de resultaten, samen met die van het schriftelijk, gewogen en bij elkaar opgeteld werden.
Daarna werden we weer naar binnen geroepen, opgesteld in een rijtje, en werd ieder van ons gezegd of we geslaagd of gezakt waren. Alleen Lydia was gezakt. Daarna met diploma op de fiets naar huis, waar mijn ouders in spanning wachtten.
De dag erna gingen we op vakantie, naar Mechelen in Zuid-Limburg, een week logeren bij de familie Wetzels.
14 juni 2016
Unfaithful Music & Disappearing Ink

Er zijn honderden, nee, duizenden muziek(auto)biografieën. Dit vind ik een goede. Een goede, interessante artiest, die niet te veel van zichzelf houdt (I don't care much for the subject), veel verschillende projecten heeft gedaan, niet met de minsten 'in het vak', goed met woorden is en een origineel, niet-chronologisch verhaal vertelt.
Er staan honderden aardige, met Elvis en zijn muziek geassocieerde verhalen in dit boek. Over zijn familie. Over vader Ross McManus, ook muzikant, hij maakte een paar platen en stond met The Beatles in 1963 in The Royal Command Performance, vroeg en kreeg toen op een servet de handtekeningen van de Fab4, die de jonge Declan vervolgens verknipte omdat ze niet in zijn handtekeningenboekje pasten.... aaargh! Of over zijn oma met Alzheimer (over haar gaat Veronica, geschreven samen met Paul McCartney).
Over zijn muziek, over allerlei projecten dus, laatst nog met The Roots (Amerikaanse hiphoppers, leuke plaat).
En nog veel meer, 674 bladzijden.
Point of trivia: De Dolly Dots worden ook genoemd. Nile Rogers en Elvis Costello keken ooit enigszins verbijsterd tijdens een TopPop-opname naar de in primaire kleuren als schoolmeisjes verklede vrolijk hupsende (Tell It All About) Boys zangeressen.
Nile and I could only stare at each other at the absurdity of the scene. We'd come all this way to peddle our ware, but we were powerless in the face of such overwhelming cuteness.
Ik zag Costello een paar keer, de meeste indruk maakt hij op mij, alleen op het podium met een gitaar, in Carré, 1989. Wát een optreden was dat. Ik kan daar geen opname van vinden, maar zijn solo-optreden op Pinkpop in datzelfde jaar komt er in mijn herinnering dichtbij.
10 juni 2016
50boeken - vraag 23: Doe jij wel eens boeken weg?
Eigenlijk niet, maar er zijn uitzonderingen die de regel bevestigen.
Zo heb ik op een gegeven moment vrijwel al mijn studieboeken weggedaan. Ik voorzag (tot nu toe: terecht, nooit heb ik ook maar de behoefte gevoeld) dat ik wel nooit meer (om maar eens wat te noemen) Introduction to Solid State Physics van Charles Kittel ter hand zou nemen. Of een van al die andere boeken. Twee boeken uit die periode heb ik wel bewaard: Fysische Transportverschijnselen I en Ethiek als wetenschap. Het eerste gebruikte ik heel af en toe op mijn werk (nu eigenlijk niet meer, het zou dus weg kunnen), en in het tweede heb ik nog wel eens een hoofdstukje teruggelezen. Laatst nog.
Met de niet-studieboeken is de situatie anders. Die staan allemaal in de kasten. Ik beperk me nu tot de gelezen boeken. In de woonkamer 6 Billy’s, op de overloop 2, en in het (kadastraal als studeerkamertje aangemerkte) voorzijkamertje boven nog eens 3 kasten. Op zolder een stuk of 6 verhuisdozen vol.
Mijn allereerste pocketboekjes heb ik nog. En ongeveer alles wat daarna is gekocht.
Eerst maar weer even de uitzonderingen hierop.
Jaren geleden kreeg ik voor mijn verjaardag het eerste deel van Duin, een toen populaire sciencefictionreeks, die uit 6 delen bestond, herinner ik me. Ik lezen. Sciencefiction lezen betekent dat er een afspraak is tussen schrijver en lezer. Er wordt een wereld beschreven die niet, of nog niet bestaat, en de lezer neemt dat aan voor waar. In die niet-bestaande wereld komen zaken voor die we niet kennen. Daarvoor worden woorden gebruikt die we niet kennen. Allemaal prima. Maar als er dan voorwerpen, zaken of handelingen zijn die we wel kennen, hoeven daar geen verzonnen woorden voor gebruikt te worden. Dat zag ik wel een paar keer. Hier en daar las ik ook nog eens woorden die ik niet kende, die niet in Van Dale stonden en die ook niet uitgelegd werden. Verder dan bladzijde 30 of zo ben ik dan ook niet gekomen. Ik heb het boek weggegooid.
Op een andere verjaardag kreeg ik De opwindvogelkronieken van Murakami. Mij staat niet meer bij waarom of waardoor, maar ik vond dat een vreselijk boek. Onleesbaar. Ergerlijk. Het stond mij vrijwel vanaf het begin zó tegen dat ik (50 bladzijden gelezen hebbend, ’s avonds om half elf of zo) naar de papierbak een eind verderop in de wijk ben gelopen en het boek daar in gegooid heb. Weg ermee!
Het derde boek waarvan ik mij herinner dat ik het niet uit kreeg en zó slecht vond dat het weg, Weg, WEG! moest is Bonita Avenue, van Peter Buwalda. Maar dat heb ik al eens van mij afgeschreven.
De rest staat er nog. Hier geldt: niet alles is even goed, van meerdere boeken weet ik zelfs bij benadering niet meer waar ze over gingen, van veel boeken weet ik zeker dat ik ze nooit meer zal lezen. Toch staan ze daar. Af en toe denk ik: potsierlijk, al die boeken. Zo van: kijk mij eens. Er staan ook veel boeken die nog wél af en toe ingekeken of herlezen worden. Biesheuvel, Reve, Hermans, Nescio, Van der Heijden, Vogels, Voskuil. Dat zullen de allerlaatste boeken zijn die ik wegdoe. Want er moet wel wat gaan gebeuren, weet ik. Ik komen steeds boeken bij, en er gaat niet af. Alle kasten zijn vol, meer kasten wil ik niet, en binnen vijf jaar wil ik in een kleiner huis wonen.
Er zullen dus boeken weg moeten. Misschien begin ik dan een boekwinkeltje of breng ik ze naar de kringloopwinkel. Maar nu nog niet.
#50boeken (eigenlijk: #50books) wordt dit jaar gedaan door Hendrik-Jan de Wit. Iedere zondag stelt hij een vraag met betrekking tot boeken. De blogs die we daarover schrijven verzamelt hij op zijn weblog, waar dus een overzicht te vinden is van alle reacties op deze vragen.
Zo heb ik op een gegeven moment vrijwel al mijn studieboeken weggedaan. Ik voorzag (tot nu toe: terecht, nooit heb ik ook maar de behoefte gevoeld) dat ik wel nooit meer (om maar eens wat te noemen) Introduction to Solid State Physics van Charles Kittel ter hand zou nemen. Of een van al die andere boeken. Twee boeken uit die periode heb ik wel bewaard: Fysische Transportverschijnselen I en Ethiek als wetenschap. Het eerste gebruikte ik heel af en toe op mijn werk (nu eigenlijk niet meer, het zou dus weg kunnen), en in het tweede heb ik nog wel eens een hoofdstukje teruggelezen. Laatst nog.
Met de niet-studieboeken is de situatie anders. Die staan allemaal in de kasten. Ik beperk me nu tot de gelezen boeken. In de woonkamer 6 Billy’s, op de overloop 2, en in het (kadastraal als studeerkamertje aangemerkte) voorzijkamertje boven nog eens 3 kasten. Op zolder een stuk of 6 verhuisdozen vol.
Mijn allereerste pocketboekjes heb ik nog. En ongeveer alles wat daarna is gekocht.
Eerst maar weer even de uitzonderingen hierop.
Jaren geleden kreeg ik voor mijn verjaardag het eerste deel van Duin, een toen populaire sciencefictionreeks, die uit 6 delen bestond, herinner ik me. Ik lezen. Sciencefiction lezen betekent dat er een afspraak is tussen schrijver en lezer. Er wordt een wereld beschreven die niet, of nog niet bestaat, en de lezer neemt dat aan voor waar. In die niet-bestaande wereld komen zaken voor die we niet kennen. Daarvoor worden woorden gebruikt die we niet kennen. Allemaal prima. Maar als er dan voorwerpen, zaken of handelingen zijn die we wel kennen, hoeven daar geen verzonnen woorden voor gebruikt te worden. Dat zag ik wel een paar keer. Hier en daar las ik ook nog eens woorden die ik niet kende, die niet in Van Dale stonden en die ook niet uitgelegd werden. Verder dan bladzijde 30 of zo ben ik dan ook niet gekomen. Ik heb het boek weggegooid.
Op een andere verjaardag kreeg ik De opwindvogelkronieken van Murakami. Mij staat niet meer bij waarom of waardoor, maar ik vond dat een vreselijk boek. Onleesbaar. Ergerlijk. Het stond mij vrijwel vanaf het begin zó tegen dat ik (50 bladzijden gelezen hebbend, ’s avonds om half elf of zo) naar de papierbak een eind verderop in de wijk ben gelopen en het boek daar in gegooid heb. Weg ermee!
Het derde boek waarvan ik mij herinner dat ik het niet uit kreeg en zó slecht vond dat het weg, Weg, WEG! moest is Bonita Avenue, van Peter Buwalda. Maar dat heb ik al eens van mij afgeschreven.
De rest staat er nog. Hier geldt: niet alles is even goed, van meerdere boeken weet ik zelfs bij benadering niet meer waar ze over gingen, van veel boeken weet ik zeker dat ik ze nooit meer zal lezen. Toch staan ze daar. Af en toe denk ik: potsierlijk, al die boeken. Zo van: kijk mij eens. Er staan ook veel boeken die nog wél af en toe ingekeken of herlezen worden. Biesheuvel, Reve, Hermans, Nescio, Van der Heijden, Vogels, Voskuil. Dat zullen de allerlaatste boeken zijn die ik wegdoe. Want er moet wel wat gaan gebeuren, weet ik. Ik komen steeds boeken bij, en er gaat niet af. Alle kasten zijn vol, meer kasten wil ik niet, en binnen vijf jaar wil ik in een kleiner huis wonen.
Er zullen dus boeken weg moeten. Misschien begin ik dan een boekwinkeltje of breng ik ze naar de kringloopwinkel. Maar nu nog niet.
#50boeken (eigenlijk: #50books) wordt dit jaar gedaan door Hendrik-Jan de Wit. Iedere zondag stelt hij een vraag met betrekking tot boeken. De blogs die we daarover schrijven verzamelt hij op zijn weblog, waar dus een overzicht te vinden is van alle reacties op deze vragen.
08 juni 2016
Het loopt tegen twaalven
Het loopt tegen twaalven. De kamer is stil. Alleen de kat en ik, met mijn gedachten. Nog een klein half uur of zo, en dan is het precies acht jaar geleden dat mijn vader overleed. Gek, zo'n tijdstip dat je bijblijft. Ik was er niet eens bij, ik was net een uur eerder weggegaan, na bijpraten van de nachtverpleging, na 3 dagen zonder slaap. Hij zou nu 93 geweest zijn bedenk ik me, dat zou nog gekund hebben. Maar zo ging het niet. Er zijn dingen veranderd in die tijd, en er zijn dingen hetzelfde gebleven, zoals mijn gevoel als ik aan hem denk. Op een dag als vandaag is dat er weer volop:
Ik mis mijn vader. Ik mis zijn verhalen, zijn hand en arm, zijn raad en daad. Ik mis zijn vragen en antwoorden. Ik mis zijn liefde, aandacht en betrokkenheid. Ik mis zijn stem, zijn lach, de twinkel in zijn ogen.
En toch is hij er, op een of andere manier.
Ik drink nog een glas, op het leven van mijn vader.
Ik mis mijn vader. Ik mis zijn verhalen, zijn hand en arm, zijn raad en daad. Ik mis zijn vragen en antwoorden. Ik mis zijn liefde, aandacht en betrokkenheid. Ik mis zijn stem, zijn lach, de twinkel in zijn ogen.
En toch is hij er, op een of andere manier.
Ik drink nog een glas, op het leven van mijn vader.
07 juni 2016
Komt steeds vaker voor
Komt steeds vaker voor.
Meen ik in ieder geval te zien.
Weglaten van woorden aan begin van een volzin.
Begint dan vaak met de persoonsvorm.
Probeer er niet te veel van te vinden.
Doe je toch, onwillekeurig.
Weet niet waar het vandaan komt.
Zie het ook op werk, in interne communicatie.
Blijf het apart vinden.
Meen ik in ieder geval te zien.
Weglaten van woorden aan begin van een volzin.
Begint dan vaak met de persoonsvorm.
Probeer er niet te veel van te vinden.
Doe je toch, onwillekeurig.
Weet niet waar het vandaan komt.
Zie het ook op werk, in interne communicatie.
Blijf het apart vinden.
Abonneren op:
Posts (Atom)