Gisteren werd bekend dat Benali boekt komend seizoen niet terugkeert op de tv. Een leuk boekenprogramma, waarin elke uitzending een boek centraal gesteld werd, met gesprekken met de schrijver of schrijfster, met wat achtergronden en wat dies meer zij. Maar het moet weg, want te duur of zo. Of te weinig kijkers. Zo kan er weer een half uurtje extra gevuld worden met voetbal (gisteravond nog de belangrijke wedstrijd Nigeria - Uruguay), cabaret, kwisjes met BN-ers, real-life soaps, talentenjachten en zingende Volendammers.
Overigens: ook op Radio 1 verdwijnt een boekenprogramma, Brands met boeken. Enfin, ook daar is er elke dag een kwisje, en gezellige plaatjes tussendoor, tegenwoordig.
21 juni 2013
20 juni 2013
50books - vraag 23
Vraag 23:
Kunnen computers fictie schrijven?

Tijdens mijn studie in Delft heb ik een paar vakken gelopen bij prof. S.J. (Joop) Doorman. Professor Doorman was de zoon van Karel en de vader van Maarten. Een prachtige, veelzijdige man. Hij studeerde wiskunde en filosofie. Directeur van de VPRO, directeur van het Sweelinck-conservatorium, Kroonlid in het NOS-bestuur, hoogleraar in Eindhoven en Delft. Hij trachtte de bèta's aan de TH Delft aan het denken te brengen over goed en kwaad, over waar en onwaar, over schoonheid en troost. Hij had ook altijd mooie verhalen. Een keer tijdens de lunchpauze zat ik bij hem aan tafel. Hij vertelde het volgende 1): Ons waarnemen, denken en handelen komt voort uit hersenactiviteit. Onze hersenen zijn te vergelijken met een gigantische elektronische schakeling die gevoed wordt met inkomende elektrische stroompjes, voortkomend uit de waarneming van licht, geluid, geur, smaak, krachten. Daardoor zien horen, ruiken, proeven en voelen we onze omgeving. Onze hersenen verwerken die informatie en doen er wat mee. We reageren op deze prikkels, en ook deze reacties worden weer door ons waargenomen.
Maar, zo vervolgde professor Doorman, stel je nu eens voor dat er een superintelligent ras bestaat, ergens in het heelal, dat er in geslaagd is een stel hersenen te isoleren van het lichaam en, gedompeld in een isotone vloeistof, door middel van een supercomputer te voorzien van de juiste stroompjes op de juiste plaats en tijd. Dan zouden die hersenen dat toch verwerken als een echte omgeving? Zoals ook wij een echte omgeving waarnemen? Of DENKEN we dat alleen maar, en liggen onze hersenen ook ergens in een vat, aangesloten op een supercomputer. Daaruit voortvloeiend: kunnen we onze waarnemingen, gedachten wel voor 100 % vertrouwen? Kunnen we wel denken wat we denken als we niet zeker kunnen zijn of het wel waar is?
Ik weet het, professor Doorman heeft dit niet zelf verzonnen, het was Hilary Putnam 2) en eerder (in een wat andere vorm) René Descartes 3). Maar hij wist het smakelijk te brengen, tijdens de lunch in de kantine van het Wiskundegebouw.
Nu het antwoord op vraag 23 van #50books: Gezien het voorgaande valt logischerwijs niet uit te sluiten dat de romans of gedichten die we lezen in ons hoofd gefabriekt worden door stroompjes uit een supercomputer. Misschien werden mijn gedachten alleen maar gemanipuleerd, zodanig dat ik dacht dat ik een boek met de titel De stille kracht van Couperus herlas, vorige week. Misschien waren het toch computersignalen, en misschien gold dat ook voor de hele inhoud van het betreffende boek. En: het valt ook niet uit te sluiten dat computers alle literatuur geschapen hebben, van het eenvoudigste doktersromannetje tot aan Ulysses van James Joyce. Misschien denk ik alleen maar dat er een boek bestaat met de titel Under the volcano, ik heb het nooit gelezen, en al had ik dat, dan was ik er nog niet zeker van. En dat geldt ook voor deze blog, en voor Uw gedachten nu.
1) Zie wikipedia-lemma: Hersenen in een vat (http://nl.wikipedia.org/wiki/Hersenen_in_een_vat, geraadpleegd 19 juni 2013)
2) Putnam, H. (1981): "Brains in a vat" in Reason, Truth, and History, Cambridge University Press; reprinted in DeRose and Warfield, editors (1999): Skepticism: A Contemporary Reader, Oxford UP.
3) R. Descartes, Meditations on First Philosophy. In: The Philosophical Writings of Descartes, vol. 2. Vertaald uit het Latijn door J. Cottingham, R. Stoothoff, D. Murdoch. Cambridge/New York/Melbourne: Cambridge University Press, 1996
#50books is een initiatief van Peter Pellenaars. Iedere zondagochtend, voorlopig 50 weken lang stelt hij een vraag met betrekking tot boeken. De blogs die we daarover schrijven verzamelt hij op zijn weblog, daar is dan een overzicht te vinden van de reacties op deze en eerdere vragen.
Kunnen computers fictie schrijven?

Tijdens mijn studie in Delft heb ik een paar vakken gelopen bij prof. S.J. (Joop) Doorman. Professor Doorman was de zoon van Karel en de vader van Maarten. Een prachtige, veelzijdige man. Hij studeerde wiskunde en filosofie. Directeur van de VPRO, directeur van het Sweelinck-conservatorium, Kroonlid in het NOS-bestuur, hoogleraar in Eindhoven en Delft. Hij trachtte de bèta's aan de TH Delft aan het denken te brengen over goed en kwaad, over waar en onwaar, over schoonheid en troost. Hij had ook altijd mooie verhalen. Een keer tijdens de lunchpauze zat ik bij hem aan tafel. Hij vertelde het volgende 1): Ons waarnemen, denken en handelen komt voort uit hersenactiviteit. Onze hersenen zijn te vergelijken met een gigantische elektronische schakeling die gevoed wordt met inkomende elektrische stroompjes, voortkomend uit de waarneming van licht, geluid, geur, smaak, krachten. Daardoor zien horen, ruiken, proeven en voelen we onze omgeving. Onze hersenen verwerken die informatie en doen er wat mee. We reageren op deze prikkels, en ook deze reacties worden weer door ons waargenomen.
Maar, zo vervolgde professor Doorman, stel je nu eens voor dat er een superintelligent ras bestaat, ergens in het heelal, dat er in geslaagd is een stel hersenen te isoleren van het lichaam en, gedompeld in een isotone vloeistof, door middel van een supercomputer te voorzien van de juiste stroompjes op de juiste plaats en tijd. Dan zouden die hersenen dat toch verwerken als een echte omgeving? Zoals ook wij een echte omgeving waarnemen? Of DENKEN we dat alleen maar, en liggen onze hersenen ook ergens in een vat, aangesloten op een supercomputer. Daaruit voortvloeiend: kunnen we onze waarnemingen, gedachten wel voor 100 % vertrouwen? Kunnen we wel denken wat we denken als we niet zeker kunnen zijn of het wel waar is?
Ik weet het, professor Doorman heeft dit niet zelf verzonnen, het was Hilary Putnam 2) en eerder (in een wat andere vorm) René Descartes 3). Maar hij wist het smakelijk te brengen, tijdens de lunch in de kantine van het Wiskundegebouw.
Nu het antwoord op vraag 23 van #50books: Gezien het voorgaande valt logischerwijs niet uit te sluiten dat de romans of gedichten die we lezen in ons hoofd gefabriekt worden door stroompjes uit een supercomputer. Misschien werden mijn gedachten alleen maar gemanipuleerd, zodanig dat ik dacht dat ik een boek met de titel De stille kracht van Couperus herlas, vorige week. Misschien waren het toch computersignalen, en misschien gold dat ook voor de hele inhoud van het betreffende boek. En: het valt ook niet uit te sluiten dat computers alle literatuur geschapen hebben, van het eenvoudigste doktersromannetje tot aan Ulysses van James Joyce. Misschien denk ik alleen maar dat er een boek bestaat met de titel Under the volcano, ik heb het nooit gelezen, en al had ik dat, dan was ik er nog niet zeker van. En dat geldt ook voor deze blog, en voor Uw gedachten nu.
1) Zie wikipedia-lemma: Hersenen in een vat (http://nl.wikipedia.org/wiki/Hersenen_in_een_vat, geraadpleegd 19 juni 2013)
2) Putnam, H. (1981): "Brains in a vat" in Reason, Truth, and History, Cambridge University Press; reprinted in DeRose and Warfield, editors (1999): Skepticism: A Contemporary Reader, Oxford UP.
3) R. Descartes, Meditations on First Philosophy. In: The Philosophical Writings of Descartes, vol. 2. Vertaald uit het Latijn door J. Cottingham, R. Stoothoff, D. Murdoch. Cambridge/New York/Melbourne: Cambridge University Press, 1996
#50books is een initiatief van Peter Pellenaars. Iedere zondagochtend, voorlopig 50 weken lang stelt hij een vraag met betrekking tot boeken. De blogs die we daarover schrijven verzamelt hij op zijn weblog, daar is dan een overzicht te vinden van de reacties op deze en eerdere vragen.
12 juni 2013
50books - vraag 21
Vraag 21:
Van welk boek heb je spijt dat je het ooit kocht?
Dat zijn er niet zoveel. Een handje vol, denk ik. The Golden Notebook van Doris Lessing was zo'n boek, en ik herinner me The Little Friend van Donna Tartt als zo'n miskoop.

Het eerste boek van Donna Tartt (uit 1992), The Secret History, was een ongelofelijk goed, spannend boek. Op de eerste bladzijde wordt een moord uit de doeken gedaan, en vervolgens gaat het boek over het hoe en waarom. Geen whodunnit maar een whydunnit.
In 2002 kwam het tweede boek uit, The Little Friend. Ik kocht het meteen en begon te lezen. En te lezen. En te lezen. Tot ik me realiseerde dat ik het niet boeiend vond. Na al die jaren weet ik niet meer waarover het ging, maar wel dat het me totaal niet boeide. In het boek zitten twee bladwijzers: van mij op bladzijde 268 en van mijn dochter op bladzijde 36. En daar zullen ze wel blijven zitten. Spijt dat ik het gekocht heb.
Later dit jaar komt het derde boek van Donna Tartt uit, The Goldfinch. Ik zal dat boek niet kopen.
#50books is een initiatief van Peter Pellenaars. Iedere zondagochtend, voorlopig 50 weken lang stelt hij een vraag met betrekking tot boeken. De blogs die we daarover schrijven verzamelt hij op zijn weblog, daar is dan een overzicht te vinden van de reacties op deze en eerdere vragen.
Van welk boek heb je spijt dat je het ooit kocht?
Dat zijn er niet zoveel. Een handje vol, denk ik. The Golden Notebook van Doris Lessing was zo'n boek, en ik herinner me The Little Friend van Donna Tartt als zo'n miskoop.

Het eerste boek van Donna Tartt (uit 1992), The Secret History, was een ongelofelijk goed, spannend boek. Op de eerste bladzijde wordt een moord uit de doeken gedaan, en vervolgens gaat het boek over het hoe en waarom. Geen whodunnit maar een whydunnit.
In 2002 kwam het tweede boek uit, The Little Friend. Ik kocht het meteen en begon te lezen. En te lezen. En te lezen. Tot ik me realiseerde dat ik het niet boeiend vond. Na al die jaren weet ik niet meer waarover het ging, maar wel dat het me totaal niet boeide. In het boek zitten twee bladwijzers: van mij op bladzijde 268 en van mijn dochter op bladzijde 36. En daar zullen ze wel blijven zitten. Spijt dat ik het gekocht heb.
Later dit jaar komt het derde boek van Donna Tartt uit, The Goldfinch. Ik zal dat boek niet kopen.
#50books is een initiatief van Peter Pellenaars. Iedere zondagochtend, voorlopig 50 weken lang stelt hij een vraag met betrekking tot boeken. De blogs die we daarover schrijven verzamelt hij op zijn weblog, daar is dan een overzicht te vinden van de reacties op deze en eerdere vragen.
De laatkomer

Wrang-kolderieke scènes en misantropie, de inmiddels beproefde combinatie waarmee Dimitri Verhulst de laatste jaren succes boekt. Ook nu weer een waanzinnig verhaal over een man die, om van het gezeur en gezaag van de echtgenote af te zijn, dementie voorwendt (Hoewel volkomen opzettelijk, is het zeer tegen mijn zin dat ik iedere nacht opnieuw in mijn bed schijt.) en zich laat opnemen in een verzorgingshuis. In ieder geval: dat is de kapstok, het boek gaat vooral ook over het terugkijken op een saai leven, gemiste kansen en de afrekening daarmee en de hunkering naar geluk. Bij vlagen hilarisch, dus hardop lachen.
10 juni 2013
De stille kracht

Het zal weinig mensen ontgaan: vandaag is het de 150e geboortedag van Louis Couperus, misschien wel de grootste Nederlandse schrijver ooit (sorry Harry). Naar aanleiding daarvan herlas ik de afgelopen weken De stille kracht, een van de mooiste, indringendste romans van Couperus. Ik las dit boek voor het eerst op de middelbare school, als Bulkboek, in 1972. De eerste bladzijde van het boek vond ik meteen verpletterend *):
De volle maan, tragisch die avond, was reeds vroeg, nog in de laatste dagschemer opgerezen als een immense, bloedroze bol, vlamde als een zonsondergang laag achter de tamarindebomen der Lange Laan en steeg, langzaam zich louterende van haar tragische tint, in een vage hemel op. Een doodse stilte spande alom als een sluier van zwijgen, of, na de lange middagsiësta, de avondrust zonder overgang van leven begon. Over de stad, wier wit gepilaarde villa-huizen laag wegscholen in het geboomte der lanen en tuinen, hing een donzende geluideloosheid, in de windstille benauwdheid der avondlucht, als was de matte avond moe van de zonneblakende dag der Oostmoesson. De huizen, zonder geluid, doken weg, doodstil, in het lover van hun tuinen, met de regelmatig opblankende rissen der grote gekalkte bloempotten. Hier en daar werd een licht al ontstoken. Plotseling blafte een hond, en antwoordde een andere hond en verscheurde de donsende stilte in lange, ruwe flarden; de nijdige hondekelen, hees, ademloos, schor vijandig; plotseling ook zwegen zij stil.
Bijzonder, beeldend woordgebruik, waarvan het lange, langzame ritme mooi overeenkomt met het verbeelde. Dan de abrupte overgang van stilte en loomheid naar de verstoring door woedend blaffende honden, wat ook in het zinsritme terugkomt. Dat is andere koek dan: 'En toen, en toen, en toen'.
De stille kracht gaat over de tegenstelling tussen ratio en mystiek, noodlot, algemene thema's, hier getekend als 'de Nederlander als vreemdeling', het stille verzet van de Javaan, Oost en West. Ik ga het verhaal niet navertellen, beter dan Couperus wordt het niet. Een prachtig boek. Ergens in de jaren '80 herlas ik het al eens, voordat ik die oude Bulkboeken weggooide (dom). En nu weer.
In 1974 werd De stille kracht bewerkt tot een televisieserie, met o.a. Bob de Lange in de rol van resident Van Oudijck, en Pleuni Touw als diens overspelige vrouw Léonie.
Het bekendst uit die serie is de roemruchte badscène, waarin Léonie als straf voor haar overspel door onbekenden met sirih bespuugd wordt. De scène was toen vanwege het bloot, spannend en spraakmakend. Andere tijden.
Terug ten slotte naar het boek. Dat is prachtig, ook na ruim 100 jaar. Ook met verschillende andere titels is Couperus gelukkig nog steeds te koop, ook in de gewone boekhandel.
*) In het Bulkboek werd een gemoderniseerde spelling gehanteerd. De oorspronkelijke tekst uit 1900 luidde:
De volle maan, tragisch dien avond, was reeds vroeg, nog in den laatsten dagschemer opgerezen als een immense, bloedroze bol, vlamde als een zonsondergang laag achter de tamarindeboomen der Lange Laan en steeg, langzaam zich louterende van hare tragische tint, in een vagen hemel op. Een doodsche stilte spande alom als een sluier van zwijgen, of, na de lange middagsiësta, de avondrust zonder overgang van leven begon. Over de stad, wier wit gepilaarde villa-huizen laag wegscholen in het geboomte der lanen en tuinen, hing een donzende geluideloosheid, in de windstille benauwdheid der avondlucht, als was de matte avond moê van den zonneblakenden dag der Oostmoesson. De huizen, zonder geluid, doken weg, doodstil, in het loover van hunne tuinen, met de regelmatig opblankende rissen der groote gekalkte bloempotten. Hier en daar werd een licht al ontstoken. Plotseling blafte een hond, en antwoordde een andere hond en verscheurde de donsende stilte in lange, ruwe flarden; de nijdige hondekelen, heesch, ademloos, schor vijandig; plotseling ook zwegen zij stil.
09 juni 2013
50books - vraag 22
Vraag 22:
In hoeverre heb je moeite met boeken waarin iemand vertelt over zijn eerder gepleegde overtredingen?
Daar heb ik in principe geen moeite mee. Wil ik het boek lezen, dan moet het wel aantrekkelijk geschreven zijn. Dat betekent dat boeken van overtreders/misdadigers die over hun vergrijp een boek schrijven meestal afvallen. Interessanter zijn 'echte' schrijvers, die een misdaad/overtreding hebben begaan. In Nederland zijn dat er een paar, bijvoorbeeld Richard Klinkhamer (die zijn echtgenote vermoord bleek te hebben) en Otto Veenhoven (die zijn stiefvader de schedel insloeg).
Een ander voorbeeld is Boudewijn van Houten met zijn debuutroman Onze hoogmoed.

Van Houten was in de jaren zestig betrokken bij een omvangrijke fraude met postwissels. Met de opbrengst hiervan financierde hij een aangenaam leven en (samen met medefraudeur Theo Kars) een literair tijdschrift, Tegenstroom. Na een daarop volgende ondernomen fraudezaak liepen ze tegen de lamp, werden gearresteerd en kregen een gevangenisstraf.
Onze hoogmoed gaat over deze fraude, maar vooral ook over de verhoudingen in de vriendenclub die de fraude beraamde, en de bijpassende amorele levenshouding. Het is een fascinerend boek, goed geschreven, dat naar mijn smaak een breder publiek verdiende dan het gekregen heeft. Van Houten heeft daarna meerdere boeken geschreven, waarvan sommige gewoon goed waren, maar hij is altijd een marginale schrijver gebleven.
Medefraudeur Theo Kars (zie vraag 20) heeft over deze zaak ook een boek geschreven, De vervalsers.

De ironie wil nu dat Theo Kars van de twee de bekendere schrijver is, onlangs verscheen het tweede deel van zijn memoires, maar hij is ook de mindere. Zijn schrijfstijl is naar mijn smaak te uitleggerig. Maar toch ook fascinerend leesvoer.
#50books is een initiatief van Peter Pellenaars. Iedere zondagochtend, voorlopig 50 weken lang stelt hij een vraag met betrekking tot boeken. De blogs die we daarover schrijven verzamelt hij op zijn weblog, daar is dan een overzicht te vinden van de reacties op deze en eerdere vragen.
In hoeverre heb je moeite met boeken waarin iemand vertelt over zijn eerder gepleegde overtredingen?
Daar heb ik in principe geen moeite mee. Wil ik het boek lezen, dan moet het wel aantrekkelijk geschreven zijn. Dat betekent dat boeken van overtreders/misdadigers die over hun vergrijp een boek schrijven meestal afvallen. Interessanter zijn 'echte' schrijvers, die een misdaad/overtreding hebben begaan. In Nederland zijn dat er een paar, bijvoorbeeld Richard Klinkhamer (die zijn echtgenote vermoord bleek te hebben) en Otto Veenhoven (die zijn stiefvader de schedel insloeg).
Een ander voorbeeld is Boudewijn van Houten met zijn debuutroman Onze hoogmoed.

Van Houten was in de jaren zestig betrokken bij een omvangrijke fraude met postwissels. Met de opbrengst hiervan financierde hij een aangenaam leven en (samen met medefraudeur Theo Kars) een literair tijdschrift, Tegenstroom. Na een daarop volgende ondernomen fraudezaak liepen ze tegen de lamp, werden gearresteerd en kregen een gevangenisstraf.
Onze hoogmoed gaat over deze fraude, maar vooral ook over de verhoudingen in de vriendenclub die de fraude beraamde, en de bijpassende amorele levenshouding. Het is een fascinerend boek, goed geschreven, dat naar mijn smaak een breder publiek verdiende dan het gekregen heeft. Van Houten heeft daarna meerdere boeken geschreven, waarvan sommige gewoon goed waren, maar hij is altijd een marginale schrijver gebleven.
Medefraudeur Theo Kars (zie vraag 20) heeft over deze zaak ook een boek geschreven, De vervalsers.

De ironie wil nu dat Theo Kars van de twee de bekendere schrijver is, onlangs verscheen het tweede deel van zijn memoires, maar hij is ook de mindere. Zijn schrijfstijl is naar mijn smaak te uitleggerig. Maar toch ook fascinerend leesvoer.
#50books is een initiatief van Peter Pellenaars. Iedere zondagochtend, voorlopig 50 weken lang stelt hij een vraag met betrekking tot boeken. De blogs die we daarover schrijven verzamelt hij op zijn weblog, daar is dan een overzicht te vinden van de reacties op deze en eerdere vragen.
Af en toe rijd ik er nog wel eens langs
Af en toe rijd ik er nog wel eens langs, toevallig. Als het zo uitkomt. 't Landje. Het is nu natuurlijk geen landje meer, maar een keurig glad geschoren parkje met geasfalteerde, liniaalrechte paden, wat klimtoestellen en een betonnen basketbalveldje. Ingeklemd tussen Rijswijk en Den Haag.
Maar toen ik in de eerste, tweede klas zat was dit nog ''t Landje', een rafelig stuk grond van ongeveer 100 bij 200 meter, aan de rand van de stad, zonder duidelijke bestemming. Het was een verwilderd grasland, hier en daar bosjes en struiken, met een of twee resten van vroegere bebouwing, grote betonnen steenblokken met metalen deksels. In onze fantasie waren dat nog bunkers uit de oorlog, waarin misschien wel dode Duitsers lagen. Wij speelden daar verstoppertje, vingen in het voorjaar kikkervisjes en scharrelden er de hele woensdagmiddag rond. Wat eigenlijk niet mocht, want vanuit onze straat was het 'aan de andere kant van de sloot'.
Toen ik nog iets jonger was ging ik er ook een keer met de kleuterklas een dag naartoe, bij wijze van 'schoolreis', in het voorjaar. Aan het eind van de dag gingen we allemaal een bos bloemen plukken, 'voor onze moeders'. De juf kwam bij mij staan en zei dat ik echt een heel grote bos moest plukken, speciaal voor mijn moeder. Ze hielp nog even flink mee, zodat ik met een arm vol bloemen naar huis liep. De grootste bos van de klas.
Hoe ik ook nadenk, ik kan me niet meer herinneren hoe die juf heette. En ook niet dat ik die bloemen aan mijn moeder gaf, en wat ze toen zei.
Dit stukje stond eerder in De Leunstoel, maar ik wilde het ook graag hier hebben. Ik heb nog een paar oneffenheden weggepoetst. Een vervolgstukje staat hier.
Maar toen ik in de eerste, tweede klas zat was dit nog ''t Landje', een rafelig stuk grond van ongeveer 100 bij 200 meter, aan de rand van de stad, zonder duidelijke bestemming. Het was een verwilderd grasland, hier en daar bosjes en struiken, met een of twee resten van vroegere bebouwing, grote betonnen steenblokken met metalen deksels. In onze fantasie waren dat nog bunkers uit de oorlog, waarin misschien wel dode Duitsers lagen. Wij speelden daar verstoppertje, vingen in het voorjaar kikkervisjes en scharrelden er de hele woensdagmiddag rond. Wat eigenlijk niet mocht, want vanuit onze straat was het 'aan de andere kant van de sloot'.
Toen ik nog iets jonger was ging ik er ook een keer met de kleuterklas een dag naartoe, bij wijze van 'schoolreis', in het voorjaar. Aan het eind van de dag gingen we allemaal een bos bloemen plukken, 'voor onze moeders'. De juf kwam bij mij staan en zei dat ik echt een heel grote bos moest plukken, speciaal voor mijn moeder. Ze hielp nog even flink mee, zodat ik met een arm vol bloemen naar huis liep. De grootste bos van de klas.
Hoe ik ook nadenk, ik kan me niet meer herinneren hoe die juf heette. En ook niet dat ik die bloemen aan mijn moeder gaf, en wat ze toen zei.
Dit stukje stond eerder in De Leunstoel, maar ik wilde het ook graag hier hebben. Ik heb nog een paar oneffenheden weggepoetst. Een vervolgstukje staat hier.
Abonneren op:
Posts (Atom)