
Gisteren verscheen een fraai vormgegeven boekje met twee brieven van Frits Grönloh uit 1908, later bekend als de schrijver Nescio. De brieven werden geschreven vanuit Veere, waar Grönloh verbleef, aan zijn vrouw Agathe Tiket, en kwamen kennelijk onlangs tevoorschijn bij de erven Nescio. Het bijzondere van deze brieven (en daarmee de rechtvaardiging van de publicatie nu) is dat hierin beschrijvingen voorkomen die nauw verwant zijn aan elementen uit het in 1911 gepubliceerde De uitvreter.
Een heelen zomer had Bavink in Zeeland geschilderd. In Veere had-i Japi voor 't eerst gezien. Japi zat daar maar. Bavink had al enkele malen gedacht: wat is dat toch voor een kerel? Niemand wist 't, altijd vond je hem ergens aan den waterkant. Daar zat hij maar, uren achtereen, onbeweeglijk. Om twaalf uur en om zes uur ging-i voor een uurtje naar binnen om te eten; de rest van den dag zat-i. Dat duurde een week of drie.; toen zag Bavink hem niet meer. Uit: Nescio, Verzameld werk I, p. 9.
Ik doe aldoor 't zelfde net als 't water en de Arnemuiders. De ene golf rolt over de andere en daarna zie je ze nooit weer om, zoo leef ik hier, de uuren beteekenen hoogstens eten, overigens is 't water hoog of 't is laag en als 't een tijdje donker is ga je naar bed. Uit: Nescio, Brieven uit Veere, p. 20.
Deze brieven duiden er op dat Nescio's De Uitvreter inderdaad (mede) gebaseerd is op zijn eigen ervaringen, en zijn ontmoetingen met anderen destijds, in 1908 in Veere, Nescio's Nirwana.
Bezorgd en van een toelichting voorzien door Lieneke Frerichs, die onder meer ook Nescio's Verzameld werk samenstelde. Mooi boekje weer, van Van Oorschot.