Voskuil kreeg op zijn tiende verjaardag een voetbal. Een kostbaar bezit en aanleiding om met zijn klasgenoten een voetbalvereniging op te richten, De Jonge Voetballers, D.J.V. Op de vrije zaterdagen werd op het Heitje (nu nog zichtbaar aan de Ridderspoorweg) een voetbalveld uitgezet.
‘Het Heitje was een achtergebleven stukje duin tussen de Daal en Bergselaan, de Pioenweg, de Laan van Meerdervoort en de Savornin Lohmanlaan. Aan de kant van de Pioenweg lag Wapendal, een klein bosje dat door een hoog raster van de omgeving was afgescheiden. […] De rest bestond uit een zanderige, ongelijke vlakte met hier en daar wat begroeiing, waaronder hard gras en wat struikhei. Op dat terrein zetten we iedere zaterdag een veld uit, trokken met onze hakken de lijnen in het zand en markeerden de doelen met onze jassen, elk doel zeven stappen breed. Dat we geen palen en geen lat hadden, was geen probleem. Elke bal die de doelman passeerde werd door de spelers geschat en, afhankelijk van de lichaamslengte van de doelman, al of niet tot doelpunt verklaard.' (OA, 45)
Bij de Bosjes van Poot, op een 'verlaten, platgetreden veld op de hoek, tegenover de Houtrusthallen' vindt in 1954 een bizar duel tussen
Maarten Koning en
David Grobben plaats. Zoals alle personen en gebeurtenissen in Voskuils werk gaat ook dit terug op een ware gebeurtenis. Het duel was een vuistgevecht, dat in 1954 daadwerkelijk heeft plaatsgevonden tussen Voskuil en zijn studievriend
Enno Endt, die voor David Grobben model gestaan heeft. Aanleiding (in het boek) is dat Maarten vernomen heeft dat David met
Rosalie (de vrouw van
Paul Dehoes) naar bed is geweest.
'Toen ik het verlaten, platgetreden veld op de hoek, tegenover de Houtrusthallen, zag liggen, zakte mijn boosheid. [...]
Ik reed mijn fiets naar een groepje bomen.
Hij kwam achter me aan. "Godverdomme. Ik hoop dat mijn vrienden dit nooit voor mij hoeven doen." Hij zette zijn fiets neer en liep met me mee.
Er groeide bijna geen gras: hardbevroren, zwarte modder met kuilen. Ik zocht een mooie, vlakke plek uit, met weinig stenen. "Wil je je jas uittrekken?" vroeg ik.
"Ja," zei hij nijdig.
We trokken onze jassen uit en stonden onwennig tegenover elkaar. Hij had een keurig, loodgrijs pak aan. "Ik begin niet, " waarschuwde hij. "Ik verdedig alleen." Hij keek kwaad.'(BdH, 294 - 295)
Ook Enno Endt heeft zijn versie van het gebeuren opgeschreven, dit is als
Duel in 2009 postuum gepubliceerd in
Tirade. In essentie is dit hetzelfde verhaal.
'"Hoe had je je dat voorgesteld." vroeg ik (denkend: "op welk wapen?", zoals dat bij Poesjkin te lezen valt).
"O, gewoon, op de vuist."
"En wanneer en waar?"
"Nou, zo dadelijk, in de Bosjes van Poot" [...].
De verdere rit legden we zwijgend af. Toen we de fietsen tegen een dennenboom hadden neergezet, zei ik tegen hem:"Kijk, ik heb niets tegen jou, waarom ik jou te lijf zou gaan, maar jij blijkbaar wel tegen mij. Ik zal jou daarom niet aanvallen, maar ik zal me wel verdedigen."'(Enno Endt, Tirade 429, 37)
De Haagse Houtrusthallen zijn jaren geleden al afgebroken, maar de Bosjes van Poot bestaan nog steeds. En op de hoek is nog steeds een veld. Na meer dan 50 jaar is het niet meer echt platgetreden, het is zelfs voor een groot deel bebouwd met een waterzuiveringsinstallatie, en de resterende begroeiing is flink omhooggeschoten.
Dit is dat veld.
Meer Voskuil in Den Haag? Klik hieronder.
Vorige
Volgende