
Stel je voor: je woont in een straat, in Amsterdam. Smal. Het is nacht, midden in de oorlog, vrijdagavond 4 september 1942. Alles is verduisterd. Zoals elke avond zit je voor het open raam, en je ziet de politie met elektrische lampen de straat binnen komen. Elke avond. Elke nacht. Ze bellen aan, of bonzen op de deur. Mensen worden opgehaald. Soms één van een adres, soms allemaal. Jonge mensen, oude mensen, baby’s en zieken. Nu zijn ze bij de overburen. Er wordt gebeld, op de deur gebonkt. Eindelijk wordt er opengedaan. 3 hoog gaat het licht aan. Kindergehuil. De overbuurvrouw met haar tweeling van 2½ jaar. Ze komt naar beneden, aan iedere hand een kind. Verder niets, ze heeft immers maar twee handen. Het gaat verder. Een paar huizen verderop wordt een gezin opgehaald. Uit een raam klinkt een stem: ‘Jaap, zijn jullie dat?’ ‘Ja, we gaan. Dag hoor.’ De mensen worden gebracht naar de overvalwagen die op het pleintje staat en die gevuld wordt met mensen uit de hele buurt.

Dit soort verhalen zie je en lees je, op de tentoonstelling in het Amsterdamse stadsarchief en in het boek van Guus Luijters, Rapenburgerstraat 1940-1945. De Rapenburgerstraat is, gelet op het lot van de Joodse bewoners, misschien de zwaarst getroffen Nederlandse straat in de oorlog. Tentoonstelling en boek laten, op volgorde, de verhalen zien van de bewoners, van nummer 1 tot en met 197. Vaak meerdere gezinnen per adres, op elke verdieping een. Vrijwel iedereen was Joods, vrijwel iedereen is gedeporteerd, vrijwel iedereen is vermoord. Een van hen was Sientje Abram, maar het waren er heel veel meer, in deze straat. Bijvoorbeeld 58 meisjes en medewerkers van het meisjesweeshuis op nummer 171. Vermoord. Ik heb geen getal, maar in deze straat in totaal honderden en honderden.

Wat een tentoonstelling en wat een boek. Onvoorstelbaar.
(Die vrouw met kinderen was Sippora Wans, met haar tweeling Sonja en Catharina. Diezelfde nacht vertrokken ze naar Westerbork, 3 dagen later naar Auschwitz. Meteen na aankomst, weer 3 dagen later, werden ze vermoord. De identiteit van 'Jaap' is niet achterhaald. Het verhaal is vlak na de oorlog opgetekend door Betsy Vromen, een van de weinige overlevenden.)