Deze week ging ik naar een familieaangelegenheid in Terneuzen, Zeeuwsch-Vlaanderen. Sinds een aantal jaren rij je daar min of meer ononderbroken naartoe, via de Westerscheldetunnel, een 6 1/2 kilometer lange rioolbuis.
Vroeger was dat anders, dan ging je met de boot. Een avontuur, vond ik als kind, en het had ook wel wat. Met de auto (of motor, maar dat is een apart verhaal waard) de veerhaven van Vlissingen naderend kon je de boot vaak al zien liggen. De geel-oranje schoorstenen, daaraan herkende ik de boot als vier-, vijfjarig jongetje al op afstand. Eenmaal bij de boot kon je de boot niet zomaar oprijden, eerst moesten de auto's in gelid opgesteld. Op een of andere manier droeg deze wachttijd bij aan het speciale karakter van dit pontreisje. Afhankelijk van de beschikbare tijd en het weer was er dan wel of geen gelegenheid voor een ijsje, of friet. Dan opeens was het moment daar: aan boord!
Door het personeel werd je gedirigeerd naar een plek op het autodek (eerst een, later waren er twee), ergens diep in de buik van de boot. Je kon gedurende de overtocht in de auto blijven zitten, maar wij gingen natuurlijk altijd naar boven. Er was dan het gerommel en gebrom van de motoren, en de sensatie 'we bewegen!', op het moment dat de boot van wal stak. Op de boot hing altijd die speciale geur, de geur van de boot: een mengeling van ijzer, olie, uitlaatgas en zout water. De overtocht duurde een half uur, gelegenheid voor een kopje koffie (nooit echt lekker) en een broodje (fabriek). Als het weer het een beetje toeliet: uitwaaien aan dek. Kijken naar de golven, de lucht, de vogels, het verdwijnende Vlissingen en het naderbijkomen van Breskens. Strand, lage duintjes, de dijk en daarachter de daken van de huizen en de kerktoren. Bij de haven de silo, en uiterst rechts de vuurtoren bij Nieuwesluis. Na een half uurtje loopt de boot langzaam de haven binnen, tijd om weer in de auto te gaan zitten. We minderen vaart, en met een beheerste duw tegen de kant komt de boot tot stilstand. De klep zakt open, en we mogen de weg op.