Een "kleintje Voskuil". Ik las dit al eerder, in maart 1999 en later nog eens, maar E. las het deze week en ik las "voor de gezelligheid" nog maar eens mee. Het boekje beschrijft op een prachtige, ontroerende manier de voortschrijdende dementie van de schoonmoeder van Voskuil. Het zijn korte schetsen, gedateerd van 1 juli 1957 (de dag waarop Maarten Koning (= Voskuil) bij Het Bureau gaat werken) tot 15 april 1985. Waarom vind ik het goed? Voskuil laat op een zeer precieze manier zijn observaties van het veranderende gedrag van de moeder van zijn vrouw (Nicolien in het boek) en de reactie daarop van Maarten en Nicolien zien. In tegenstelling tot
Bernlef in
Hersenschimmen beschrijft Voskuil dus niet wat de gedachten van de Alzheimerpatiënt zijn. Naar de mening van Voskuil kan dat niet, en kunnen we ons ook niet verplaatsen in de gedachtewereld van de patiënt en is wat je ziet of zelf denkt, het enige wat je weet. Een weemoedig boek, maar ook zitten er hilarische scènes in, als de moeder weer eens totaal de kluts kwijt is en op een gekke manier reageert: "Mijn dochter zegt dat ik hier ben". Het gaat van een klein dingetje (het ineens niet meer in een bus durven stappen tijdens een vakantie) tot de totale afwezigheid van herkenning, in het verpleeghuis, apathie. Ook Maarten en Nicolien veranderen: van de aanvankelijke irritatie, via verdriet en wanhoop, naar liefdevolle verzorging. Mooi boek over eenzaamheid en onbereikbaarheid, ontroerend soms.
Een voor dit boek misschien niet helemaal representatief, maar wel mooi citaat, karakteristiek voor Voskuil. We beleven de laatste avond dat Maarten en Nicolien in het eigen huis (inmiddels verlaten en gedeeltelijk onttakeld) van de moeder zitten, in de
Haagse Amandelstraat, op 27 februari 1980:
Ze aten bij een kaars. Toen het geleidelijk donker werd, leek het net of de kamer nog eenmaal, voor de laatste keer, tot leven kwam. Vanwaar hij zat kon hij de daken van de huizen aan de overkant zien en hij verbeeldde zich dat het nog net zo was als het altijd was geweest, vanaf het eerste moment dat hij gekomen was, 36 jaar geleden.
Naschrift voor Voskuil-vorsers.
De moeder van Nicolien is voor een aanzienlijk deel opgebouwd uit fragmenten die ook in
Het Bureau voorkomen. Sterker nog, een (veel kortere) versie van
De moeder diende als voorpublicatie van
Het Bureau, in
Tirade 362 uit 1996. In
Het Bureau levert zij het niet-intellectuele commentaar op het werk van Maarten.
'En wat moet je daar nou doen?' vroeg zijn schoonmoeder.
Hij keek naar haar. 'Ik moet een stuk schrijven over de kabouters.'
'Over de kabouters?' Ze lachte ongelovig. 'Je houdt me voor de mal.'
'Ik houd U nooit voor de mal.'
'Over kabouters! Een volwassen man!'
In
De moeder is het perspectief anders, gericht op de moeder en op Nicolien. Omdat hier de inbedding van het verhaal van
Het Bureau ontbreekt, en om het tijdsverloop in een jaren durend proces te illustreren, zijn de fragmenten precies gedateerd.
Als voorbeeld: 3 september 1973. Henriette Fagel is op bezoek en er ontstaat een gesprek over zijn werk, waar de moeder totaal niet bij kan aanhaken. Met de moeder spreekt hij over het gaan eten van pannenkoeken. In
De moeder illustreert dit vooral het schakelen van Maarten naar de wereld van zijn schoonmoeder, en haar onbereikbaarheid, in
Het Bureau (deel 3, blz. 269 e.v.) is het toch vooral het terugkerende thema van de zinloosheid van het werk op Het Bureau.
Ik koos juist dit fragment, omdat volgens het
Dagboek 1972 - 1973 van Frida Vogels de schrijfster (naar wie Henriette is gemodelleerd) op 3 september 1973 thuis in Italië was. Voskuil baseerde zich op zijn dagboekaantekeningen, maar construeerde daar de handeling omheen, ook gebaseerd op zijn herinneringen en indrukken. Voskuil heeft dit overigens altijd zo gezegd. Vogels kwam in 1973 wel op bezoek bij de Voskuilen, maar in het voorjaar, tijdens het jaarlijkse bezoek aan Amsterdam. Een gesprek over het werken op Het Bureau voerden ze volgens het Dagboek op 14 april 1973, misschien was het dit gesprek waar Voskuil op doelde.